ECLI:NL:GHSHE:2026:325

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
24/545
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 EVRMArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over vergoeding wettelijke rente bij box 3-heffing in strijd met EVRM

De inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekering voor 2018 op, waartegen belanghebbende bezwaar maakte. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond, verminderde de aanslag tot nihil in box 3 en veroordeelde de inspecteur tot betaling van wettelijke rente over de periode tussen betaling en terugbetaling van de onrechtmatige box 3-heffing.

De inspecteur ging in hoger beroep tegen de rentevergoeding. Het hof verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2024, waarin is bepaald dat een vermindering van de aanslag die het werkelijke rendement weerspiegelt, in principe voldoende rechtsherstel biedt zonder rentevergoeding, tenzij de wettelijke rente het bedrag van de vermindering overschrijdt.

In deze zaak bedraagt de belastingvermindering €4.642 en kan de wettelijke rente dit bedrag niet overschrijden. Daarom oordeelt het hof dat geen rentevergoeding verschuldigd is en vernietigt het de beslissing van de rechtbank over de rentevergoeding. Het hoger beroep van de inspecteur wordt gegrond verklaard en het griffierecht wordt niet geheven. Er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het hof vernietigt de rentevergoeding en oordeelt dat de vermindering van de aanslag voldoende rechtsherstel biedt zonder rentevergoeding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/545
Uitspraak op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 4 april 2024, nummer BRE 20/6587 in het geding tussen de inspecteur en
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekering voor het jaar 2018 opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Partijen hebben tevens nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
1.6.
Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen op 29 januari 2026 schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2.Feiten

2.1.
De rechtbank heeft in haar uitspraak van 4 april 2024 het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de aanslag IB/PVV voor het jaar 2018 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil met handhaving van de overige elementen van de aanslag. De vermindering bedraagt € 4.642. Daarnaast heeft de rechtbank de inspecteur veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van wettelijke rente over de periode tussen de datum van betaling van de in strijd met het EVRM geheven box 3-heffing en de datum van terugbetaling daarvan. Tot slot heeft de rechtbank de inspecteur gelast het griffierecht te vergoeden.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht is veroordeeld tot het vergoeden van wettelijke rente.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissing over de vergoeding van wettelijke rente.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
In zijn arrest van 6 juni 2024 [1] heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:
“3.3.6. Indien, zoals in dit geval, van een belastingplichtige belasting in box 3 is geheven over een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijke rendement, zodat een inbreuk is gemaakt op het EVRM en het EP, dient daarvoor rechtsherstel te worden geboden door de aanslag zo ver te verminderen dat daarmee alleen nog het werkelijke rendement in de heffing wordt betrokken.12
3.3.7
Als regel kan worden aangenomen dat met een zodanige vermindering van de aanslag (hierna: de belastingvermindering) passend en voldoende rechtsherstel wordt geboden zoals hiervoor bedoeld in 3.3.2, ook indien daarbij geen vergoeding van rente wordt toegekend. Ervan uitgaande dat het EHRM, in het licht van hetgeen hiervoor in 3.3.3 is overwogen, in een dergelijk geval op basis van artikel 41 EVRM Pro een tegemoetkoming zou toekennen gelijk aan de belastingvermindering vermeerderd met de wettelijke rente daarover, kan een uitzondering op deze regel slechts worden aangenomen indien een redelijke verhouding zoals hiervoor in 3.3.5 bedoeld ontbreekt tussen (a) het bedrag van de in 3.3.6 bedoelde belastingvermindering zonder rentevergoeding, en (b) het door het EHRM toe te kennen gezamenlijke bedrag van die vermindering en de wettelijke rente daarover. Een redelijke verhouding ontbreekt naar het oordeel van de Hoge Raad indien het beloop van de wettelijke rente meer is dan het bedrag van de belastingvermindering.
Voetnoot:
[12]: Zie HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705, rechtsoverweging 5.5.2.”
4.2.
De belastingvermindering bedraagt € 4.642. De wettelijke rente over dit bedrag, gerekend vanaf de betaling daarvan, kan de belastingvermindering niet hebben overschreden. Op grond van de hiervoor geciteerde uitgangspunten van de Hoge Raad brengt dit met zich dat met de vermindering van de aanslag voldoende rechtsherstel is geboden en dat geen aanleiding bestaat om een vergoeding van rente aan belanghebbende toe te kennen. De beslissing van de rechtbank ten aanzien van de vergoeding van wettelijke rente moet daarom vernietigd worden.
Tussenconclusie
4.3.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.4.
Nu het hoger beroep gegrond is, bestaat geen aanleiding tot het heffen van griffierecht van de inspecteur.
Ten aanzien van de proceskosten
4.5.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissing over de vergoeding van wettelijke rente;
  • oordeelt dat er geen rentevergoeding verschuldigd is over de belastingvermindering.
De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, T.A. Gladpootjes en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van A. Muller, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
A. Muller E.P.A. Brakeboer
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.