ECLI:NL:GHSHE:2026:1789

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
20-003238-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 8, vijfde lid, Wegenverkeerswet 1994Art. 14a Wetboek van StrafrechtArt. 14b Wetboek van StrafrechtArt. 14c Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens dodelijk verkeersongeval door overtreding artikel 5 Wegenverkeerswet 1994

Op 2 februari 2024 vond te Helden een verkeersongeval plaats waarbij een kind op een kinderfiets werd aangereden door een trekker met oplegger bestuurd door de verdachte. Het kind overleed als gevolg van de aanrijding. De politierechter veroordeelde de verdachte voor overtreding van artikel 8, vijfde lid, Wegenverkeerswet 1994, maar sprak hem vrij van overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet Pro 1994 wegens afwezigheid van alle schuld.

De officier van justitie stelde hoger beroep in tegen deze vrijspraak. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk voor het tweede feit (artikel 8, vijfde lid) en vernietigde het vonnis voor het eerste feit (artikel 5 Wegenverkeerswet Pro 1994). Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het slachtoffer niet voor liet gaan bij het rechtsaf slaan, waardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt en het slachtoffer overleed.

De verdachte voerde afwezigheid van alle schuld aan, stellende dat hij het slachtoffer niet had kunnen zien ondanks het gebruik van spiegels. Het hof verwierp dit verweer, stellende dat de verdachte als ervaren beroepschauffeur beter had moeten opletten en zich ervan had moeten vergewissen dat het slachtoffer niet meer naast zijn voertuig was. De verdachte werd veroordeeld tot een geldboete van €750 en een voorwaardelijke rijontzegging van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar. De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelden werden niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing en verwezen naar de burgerlijke rechter.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot geldboete van €750 en voorwaardelijke rijontzegging van 3 maanden wegens overtreding artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 na dodelijk verkeersongeval.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003238-24
Uitspraak : 3 juli 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 22 november 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-160237-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde onder feit 1 primair en feit 2 bewezenverklaard, dat respectievelijk gekwalificeerd als ‘overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994’ en ‘overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994’. De politierechter heeft de verdachte ten aanzien van feit 1 niet strafbaar verklaard vanwege een geslaagd beroep op afwezigheid van alle schuld en ten aanzien van feit 2 wel strafbaar verklaard. De politierechter heeft de verdachte ten aanzien van feit 2 veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 500,00, subsidiair 10 dagen hechtenis en aan hem een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegd motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren.
Tot slot heeft de politierechter bepaald dat de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De raadsvrouw van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft medegedeeld dat de verzekering bij alle drie de benadeelde partijen de affectieschade volledig heeft vergoed.
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en zijn vordering verlaagd tot een bedrag van € 10.000,00, bestaande uit immateriële schade, te weten schokschade. Het in eerste aanleg door de benadeelde partij [slachtoffer 1] meer gevorderde, is zodoende niet meer aan de orde.
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en haar vordering verlaagd tot een bedrag van € 10.000,00, bestaande uit immateriële schade, te weten schokschade. Het in eerste aanleg door de benadeelde partij [slachtoffer 2] meer gevorderde, is zodoende niet meer aan de orde.
De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en uiteindelijk zijn vordering verlaagd tot een bedrag van € 0,00. Deze vordering van
[slachtoffer 3] is zodoende niet meer aan de orde.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep medegedeeld dat – hoewel het hoger beroep onbeperkt is ingesteld – de grieven enkel betrekking hebben op feit 1. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 2 niet-ontvankelijk verklaard kan worden. De verdediging heeft zich bij het standpunt van de advocaat-generaal aangesloten.
Het hof is van oordeel dat het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van feit 2, omdat het kennelijk niet de bedoeling is geweest van de officier van justitie ook ten aanzien van de beslissingen met betrekking tot feit 2 hoger beroep in te stellen. De schriftuur houdende grieven bevat namelijk geen enkele grief ten aanzien van feit 2, het Openbaar Ministerie, noch de verdediging hebben belang bij hoger beroep ten aanzien van feit 2 en het hof is niet van oordeel dat de strafzaak met betrekking tot feit 2 desalniettemin (met het oog op enig rechtens aan de orde zijnd belang) onderzocht dient te worden. Bijgevolg zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van feit 2.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte schuldig zal verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel. Verder heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Namens de verdachte is bepleit dat ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen, nu sprake is van afwezigheid van alle schuld. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij van [slachtoffer 2] heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat deze kan worden toegewezen. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij van [slachtoffer 1] heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat deze niet kan worden toegewezen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof kan zich op onderdelen niet met het bestreden vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is, voor zover thans in hoger beroep nog aan de orde, tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 2 februari 2024 te Helden, in de gemeente Peel en Maas, als bestuurder van een voertuig (trekker met oplegger), daarmee rijdende op de weg, Sterappel , naar rechts heeft gestuurd teneinde rechtsaf te slaan en/of (daarbij) een fietser die zich op dezelfde weg (dicht) naast dan wel rechts dicht achter hem bevond niet voor heeft laten gaan, waardoor, althans mede waardoor, een botsing en/of aan- of overrijding is ontstaan met/tussen/door zijn, verdachtes, voertuig en voornoemde fietser, althans de door hem bestuurde fiets, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 februari 2024 te Helden, in de gemeente Peel en Maas als bestuurder van een bedrijfsauto (trekker met oplegger) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Sterappel , bij het naar rechts afslaan, teneinde richting de Molenstraat te rijden, een bestuurder van een voertuig (fiets), die op dezelfde weg zich naast, althans zich rechts dicht achter hem bevond, niet heeft laten voorgaan, waarbij (dodelijk) letsel aan personen is ontstaan en/of schade aan goederen is toegebracht.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 2 februari 2024 te Helden, in de gemeente Peel en Maas, als bestuurder van een voertuig (trekker met oplegger), daarmee rijdende op de weg, Sterappel , naar rechts heeft gestuurd teneinde rechtsaf te slaan en een fietser die zich op dezelfde weg (dicht) naast dan wel rechts dicht achter hem bevond niet voor heeft laten gaan, mede waardoor een aanrijding is ontstaan tussen verdachtes voertuig en voornoemde fietser, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie Eenheid Limburg, zaakregistratienummer 2471-2024073254, gesloten d.d. 7 mei 2024 en op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 1] , brigadier, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen en met doorgenummerde dossierpagina’s 1-92. De bewijsmiddelen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1.
Het proces-verbaal aanrijding misdrijf d.d. 6 mei 2024 (pg. 28-33), voor zover inhoudende als relaas verbalisant [verbalisant 1] :

Locatie ongeval

Datum: 2 februari 2024
Omstreeks: 14:46 uur
Adres: Sterappel
Plaats: Helden
Gemeente: Peel en Maas
Betrokken voertuig: trekker ( [kenteken 1] ) met oplegger ( [kenteken 2] )
Bestuurder: [verdachte]
Betrokken fiets: kinderfiets Montego
Bestuurder: [slachtoffer 1]
2.
Het proces-verbaal Verkeersongevallen Analyse d.d. 20 april 2024 (pg. 34-69), voor zover inhoudende als relaas verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
Op 2 februari 2024 hebben wij geassisteerd bij de afwikkeling van het hierna bedoelde verkeersongeval.
De bestuurder van een MAN trekker met oplegger reed op de Sterappel in de bebouwde kom van Helden, komende uit de richting van de Hövellstraat en rijdende in de richting van de Molenstraat. Aangekomen bij het T-kruispunt met de Bellefleur reed hij rechtsaf de Sterappel op
(het hof begrijpt: de verdachte volgde het verloop van de Sterappel in een haakse bocht naar rechts)in de richting van de Molenstraat. Een kind op een Montego fiets reed zeer waarschijnlijk over het trottoir parallel rechts aan de MAN trekker met oplegger. In het verlengde van het trottoir kwam de fiets in botsing met de rechterzijde van de MAN. Het kind werd overreden door de MAN en overleed als gevolg hiervan.
Bij dit ongeval waren de volgende voertuigen betrokken:
  • fiets, merk Montego;
  • bedrijfsauto, merk MAN, kenteken [kenteken 3] , met aangekoppeld
  • oplegger, kenteken [kenteken 2] .
2.2.2
Wegsituatie
Op 2 februari 2024 had er een verkeersongeval plaatsgevonden op het T-kruispunt, gevormd door de wegen: Sterappel en Bellefleur, gelegen binnen de bebouwde kom van Helden, in de gemeente Peel en Maas.
(…)
Het ongeval vond plaats in een scherpe bocht naar rechts van de Sterappel . De rijbaan had een breedte van circa 4,5 meter. Naast de rijbaan lag aan de rechterzijde een trottoir die door middel van een groenstrook met een breedte van ongeveer 2 meter was gescheiden van de rijbaan. De groenstrook was voorzien van lage begroeiing, (foto 02) De Sterappel was, voor de voornoemde bocht, aangelegd als rechte weg over een lengte van ongeveer 225 meter. Gezien in de richting van de Bellefleur bevonden zich aan beide zijden van de rijbaan parkeervakken afgewisseld door tussen de vakken geplante bomen, die deels tot de stam waren teruggesnoeid. (zie foto 02)
De laatste ongeveer 50 meter van de Sterappel vóór de genoemde scherpe bocht bevond zich aan de rechterzijde de genoemde groenstrook. (zie foto 02)
3.2.5
Zichtveldbepalingen in spiegels, voor- en zijruitenDoor mij, eerste verbalisant, werden de standen en de daarbij behorende zichtvelden van de spiegels van de MAN gecontroleerd. Uit het onderzoek bleek, dat die spiegels juist afgesteld stonden, waardoor de daarbij behorende zichtvelden vermoedelijk ook voldeden aan de juiste afmetingen.
Uit het onderzoek bleek, dat het zicht in de spiegels de eisen in paragraaf 1 linker- en rechter
buitenspiegel van bijlage VIII behorende bij artikel 5 van Pro de Regeling voertuigen overtroffen.
4.1.1
Gegevens digitale tachograaf
Door mij, eerste verbalisant, werden de gedownloade gegevens van de digitale tachograaf in het, speciaal hiervoor ontwikkelde, programma “Digital Analist” geanalyseerd. Ik zag dat de getoonde tijden in UTC-notaties waren opgeslagen. Er dient één uur bij opgeteld te worden voor de lokale tijd.
De hierna in deze paragraaf benoemde tijden zijn in de UTC-notatie, tenzij anders aangegeven. Bij het raadplegen van de gegevens van het operationeel centrum zag ik dat het tijdstip van de eerste melding omstreeks 14:46 uur lokale tijd was geregistreerd, 14:46 uur lokale tijd is 13:46 uur UTC-tijd.
Ik zag dat het tijdstip van de melding bij het operationeel centrum en het tijdstip waarop de laatste snelheidsregistratie in de digitale tachograaf werd opgeslagen met elkaar in relatie stonden. Door mij kon worden vastgesteld dat registratie rond 13:46 uur betrekking had op het ongeval.
Ik zag in de gedownloade registratie van het controleapparaat van de vrachtauto dat:
1) Op 2 februari 2024 de MAN weg reed om 13:44:20 uur (Bijlage 2024017971 -T1, blauwe
verticale lijn).
De rit eindigde om 13:46:17 uur. (Bijlage 2024017971-T1, grijze verticale lijn)
2) De door de MAN gereden snelheid tussen de 10 en 20 km/h varieerde.
3) Vlak voor de stilstand om 13:46:17 uur de grootste deceleratie geregistreerd was voor
stilstand. (Bijlage 2024017971-T1, tussen de rode en grijze verticale lijn) opgeslagen werd.
4) De afstand tussen de blauwe en grijze marker werd weer gegeven als ongeveer 343 (±15) m. Dit is de afgelegde afstand van het schoolplein tot de eindpositie (foto 22)
4.2.2.
Analyse spiegelzichtAan de hand van het vastgestelde spiegelzicht op grondniveau (zie paragraaf 3.2.5) werd in de tekening spiegelzicht een voertuigmodel op schaal van de MAN trekker met oplegger en daaraan gekoppeld de ingemeten spiegelvelden op grondniveau in divers gemarkeerde vakken gelegd. Dit model werd in de tekening van de Sterappel op meerdere posities geplaatst. Hierdoor werd duidelijk welk vak er door de bestuurder van de MAN trekker met oplegger kon worden overzien bij het kijken in de betreffende spiegel.
Bij nadere beschouwing van de vakken waarop de bestuurder van de MAN trekker met oplegger bij kijken in de betreffende spiegel zicht zou kunnen hebben bleek dat de spiegel- vakken van de trottoirspiegel (rode vak) en de breedtespiegel (oranje vak) zicht hadden op het gebied (rijbaan, groenstrook c.q. parkeervakken en voetpad) rechts naast de MAN trekker met oplegger.
5.2.
Toedracht, oorzaak en gevolgDe bestuurder van de MAN trekker met oplegger had zijn rit aangevangen bij het achter terrein van basisschool “de Liaan” te Helden gelegen aan de Sterappel . Hij vervolgde zijn weg in de richting van de Molenstraat door aangekomen op het T-kruispunt met de Bellefleur, rechtsaf te slaan de Sterappel volgend. Kort voor deze bocht diende de bestuurder van de MAN met oplegger naar links op de rijbaan van de Sterappel te gaan rijden teneinde de bocht op een (gelet op de grootte van het voertuig) juiste wijze te kunnen gaan berijden. Het kind op de Montego fiets was volgens een getuige ( [getuige 1] ) ter hoogte van [adres 2] het trottoir rechts naast de rijbaan op gereden. De afstand van [adres 2] tot aan de bocht naar rechts waar de MAN rechtsaf draaide was ongeveer 199 meter met een tijdsduur van ongeveer 50 seconden.
3.
Het proces-verbaal van verhoor d.d. 2 februari 2024, (pg. 6-7), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 1] :
Op vrijdag 2 februari 2024, zag ik dat de vrachtwagen voorzien van Nederlands kenteken [kenteken 1] voorbij rijden ter hoogte van onze woning, [adres 3] . Ik zag dat er een aantal kinderen mee renden met de vrachtwagen. Ik zag ook dat er een jongen meefietste. Ik zag dat hij rechts van de vrachtwagen fietste. Ik zag dat de jongen op de fiets ter hoogte van [adres 2] het voetpad opging met de fiets. Ik zag dat hij daardoor gescheiden was van de rijbaan waar de vrachtwagen reed.
4.
Het proces-verbaal van verhoor d.d. 13 augustus 2025 (afzonderlijk proces-verbaal PL2300-2024017971-21), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 1] :
In aanvulling op de eerder verstrekte verklaring kan ik het volgende verklaren. Ten tijde van het incident bevond ik mij op mijn oprit, gelegen aan [adres 3] , met mijn gezicht gericht naar de weg. Ik zag het slachtoffer aanvankelijk achter de vrachtwagen rijden, de snelheid die gereden werd op dat moment was stapvoets. Vervolgens zag ik dat het slachtoffer de vrachtwagen inhaalde en zich vervolgens aan de rechterzijde van de vrachtwagen bevond. Dit gaf mij de indruk dat de situatie potentieel gevaarlijk was omdat het slachtoffer erg dicht bij de vrachtwagen reed. Vervolgens zag ik dat het slachtoffer op de stoep ging fietsen, dit was ter hoogte van [adres 4] .
Verder zag ik dat de vrachtwagen langzaam doorreed, stapvoets, richting het einde van de straat. Het slachtoffer leek de vrachtwagen te volgen op de stoep, waarbij ik opmerkte dat de snelheid van het slachtoffer toenam. Uiteindelijk verloor ik het zicht op het slachtoffer en heb ik hem niet meer kunnen waarnemen.
5.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 2 februari 2024 (pg. 75-80), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
Vandaag (
het hof begrijpt: 2 februari 2024) ben ik gaan laden met de door mij bestuurde vrachtauto. Omstreeks 14.30 uur ben ik weggereden bij de school. Ik moest op een gegeven moment in de woonwijk naar rechts afbuigen. Opeens hoorde ik tegen de kunststof van de cabine een doffe tik. Ik ben direct gestopt en uitgestapt en naar de rechter voorzijde, waar ik het geluid hoorde, gelopen. Daar zag ik naast de door mij bestuurde vrachtauto een kind half onder de bumper en het rechtervoorwiel op de straat liggen.
6.
Het proces-verbaal van verhoor d.d. 2 februari 2024 (pg. 11-12), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 2] :
Op 2 februari 2024 omstreeks 14.45 uur reed ik samen met mijn vriendin in onze auto. Wij reden op de Molenstraat en sloegen rechtsaf om de Sterappel in te rijden. Ik draaide de Sterappel in en zag een vrachtwagen stilstaan in de bocht. Ik zag dat er een man achter het stuur van de vrachtwagen zat. Ik zag dat deze man uit de vrachtwagen sprong aan de bestuurderszijde. Ik zag dat er aan de passagierszijde iets bij het wiel van de vrachtwagen lag. Ik stapte uit mijn auto en zag dat er een persoon en een fiets lag. Ik zag dat het een kind was. Ik rende er direct heen. Ik zag dat de man, welke achter het stuur zat in de vrachtwagen, over het kind hing en met zijn hand het hoofdje van de jongen vasthield. Ik zag en hoorde dat de man ernstig in paniek was. Ik hoorde dat de man zei: ‘ik zag hem eerst wel maar later niet meer’.
Bewijsoverwegingen
Het hof stelt het volgende voorop.
Onder gevaar ter zake van artikel 5 Wegenverkeerswet Pro 1994 dient te worden verstaan een zekere mate van concreet gevaarzettend (rij)gedrag dat de reële mogelijkheid van schade voor goed of lijf op de weg veroorzaakt of kan veroorzaken. Bij de vraag of (een) bepaalde gedraging(en) kan/kunnen worden aangemerkt als gevaarzettend, gaat het om de gedraging(en) in het licht van alle omstandigheden van het geval. Het enkel schenden van een gedragsregel in het verkeer levert dus niet zonder meer het veroorzaken van gevaar of hinder op als hiervoor bedoeld (vgl.
Kamerstukken II1990-1991, 22 030, nr. 3, p. 66: ‘De bepaling strekt er slechts toe evidente vormen van gevaar of hinder aan te pakken.’).
De verdachte reed met zijn trekker met oplegger (hierna ook:
vrachtauto) met een snelheid variërend van 10 tot 20 kilometer/uur over een afstand van ongeveer 340 meter op de weg Sterappel en is op het punt waar die weg zijn verloop in een haakse bocht naar rechts heeft (terwijl die weg daar min of meer rechtdoor overgaat in de weg Bellefleur), naar rechts afgeslagen om zijn weg op de Sterappel te vervolgen. Het slachtoffer reed op zijn (kinder)fietsje vanaf een punt ongeveer 225 meter gelegen vóór die haakse bocht op diezelfde weg Sterappel en na enige meters (
het hof begrijpt: ongeveer ter hoogte van de woning met [adres 2] of [adres 4]) op het voetpad gelegen aan de rechterkant van die weg in dezelfde richting als de vrachtauto. Het voetpad en de rijbaan van Sterappel zijn van elkaar gescheiden door een strook met parkeerplaatsen waarop auto’s geparkeerd stonden tot ongeveer 50 meter vóór de haakse bocht naar rechts: over de lengte van die laatste 50 meter is het voetpad van de rijbaan gescheiden door een strook met lage begroeiing en enkele tot op de (relatief dunne) stam teruggesnoeide bomen. Op het moment dat de vrachtauto rechtsaf sloeg, kwam het slachtoffer vanaf het parallelle voetpad en fietste rechtdoor. Het slachtoffer moet zich – gelet op de lengte van een trekker met oplegger, de door de vrachtauto gereden lage snelheid en de snelheid van het slachtoffer op zijn kinderfiets dat met de vrachtauto is meegefietst – enige tijd kort voor de botsing rechts naast de vrachtauto hebben bevonden. De verdachte heeft bij het rechtsaf slaan het slachtoffer niet voor laten gaan waardoor de fiets(er) tegen de vrachtauto is gebotst en gevaar op de weg is veroorzaakt. Het slachtoffer, [slachtoffer 1] is door (de letsels ten gevolge van) die botsing komen te overlijden.
Resumerend acht het hof, gelet op het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen
– in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de omstandigheden kan worden afgeleid dat het slachtoffer – voorafgaand aan de beslissing om rechtsaf te slaan – gedurende minimaal een aanzienlijke tijd zichtbaar moet zijn geweest. De verdachte had op dat langere stuk voorafgaand aan de bocht het slachtoffer kunnen waarnemen. Bij het aannemen van afwezigheid van alle schuld in het verkeer gaat het niet om het afwezig zijn van een groot deel van de schuld, maar van alle schuld. De verdachte komt gelet op het voorgaande geen beroep op afwezigheid van alle schuld toe.
De raadsvrouw heeft bepleit dat bij de verdachte sprake is van afwezigheid van alle schuld. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte constant in de spiegels heeft gekeken en zijn spiegels heeft gedraaid. De verdachte heeft het slachtoffer gewoon niet gezien en misschien ook niet kunnen zien. De handelingen van de verdachte voldoen aan wat van een redelijke vrachtwagenchauffeur verlangd mag worden.
Het hof overweegt hierover als volgt.
Schending van artikel 5 Wegenverkeerswet Pro 1994 is een overtreding. Voor dit strafbare feit is – mede blijkens de tenlastelegging – geen specifieke wetenschap in de vorm van opzet of (aanmerkelijke) schuld vereist. Wel geldt dat dienaangaande vereist is dat de verdachte verwijtbaar heeft gehandeld terwijl hij anders had kunnen en moeten handelen. Het verweer ter zake van afwezigheid van alle schuld is dat de verdachte niet verwijtbaar heeft gehandeld terwijl hij dat gezien de feiten en omstandigheden ook niet anders had kunnen en moeten doen.
In casu gaat het naar het oordeel van het hof inhoudelijk om de vraag of de verdachte gezien de voorliggende omstandigheden ten tijde van het verkeersongeval de van hem maximaal te vergen zorg heeft betracht ter voorkoming van het ongeval, waardoor de strafbaarheid van de verdachte zou hebben ontbroken. Daarbij speelt een rol de afweging of van de verdachte gezien de aard van de verrichte gedraging(en) onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon of mocht worden gevergd dat hij anders zou hebben gehandeld. Deze vraag dient tevens beantwoord te worden aan de hand van de aard en strekking van de voorliggende strafbepaling waarbij eveneens rekening dient te worden gehouden met de overtreder/verdachte in kwestie. Indien bovengenoemde vraag bevestigend moet worden beantwoord en hem daarom een verwijt kan worden gemaakt, is er geen sprake van het ontbreken van strafrechtelijke relevante schuld van de verdachte (vgl. HR 20 januari 1959, ECLI:NL:HR:1959:135 en HR 2 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AB7899).
Het hof concludeert aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting dat verdachte gezien de aard van de verweten gedraging en de feiten en omstandigheden waaronder het feit zich heeft voorgedaan, aan verdachte wel degelijk een strafrechtelijk relevant verwijt kan worden gemaakt.
Blijkens de verklaring van getuige [getuige 1] is het slachtoffer achter de langzaam rijdende vrachtauto aan gaan rijden en verderop in de straat Sterappel naast de vrachtauto gaan rijden. De afstand van het punt van waar het slachtoffer op het voetpad is gaan rijden, meerijdend met de vrachtauto die op de rijbaan van Sterappel reed, bedraagt ongeveer 199 meter en besloeg (gelet op de gereden snelheid) ongeveer 50 seconden.
Blijkens foto 02 van de fotomap behorend bij proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 juli 2025 [1] , gelet op de zichtbaar aanwezige politie en aangebrachte afzetlinten, genomen korte tijd na het ongeval en genomen in de richting van waaruit de verdachte en het slachtoffer zijn komen aanrijden, stonden er aan de rechterzijde van de rijdende vrachtauto’s een (beperkt) aantal auto’s geparkeerd maar waren er ook meerdere ook achter elkaar gelegen parkeervakken aan die rechterkant van de weg, die niet bezet waren. Met andere woorden; het zicht vanuit de cabine van de vrachtauto werd naar de rechterkant en naar rechtsachter, al dan niet via de spiegels of via het rechter zijraam van de cabine, niet voortdurend beperkt door een aaneengesloten rij geparkeerd staande auto’s.
Naar het oordeel van het hof moeten er gedurende ongeveer 50 seconden en over een afstand van ongeveer 200 meter momenten zijn geweest waarop het slachtoffer voor verdachte als bestuurder van de vrachtauto zichtbaar moet zijn geweest. Het hof vindt daarvoor steun in de verklaring van getuige [getuige 2] , waaruit blijkt dat de verdachte de getuige vertelde, terwijl hij over het slachtoffer heen hing en met zijn hand het hoofdje van het slachtoffer vasthield: “ik zag hem eerst wel maar later niet meer”.
Naar het oordeel van het hof moet de verdachte zich dan ook ervan bewust zijn geweest dat er een fietser naast of (vlak) achter reed in dezelfde richting als de verdachte. Daarbij komt dat de laatste 50 meter vóór de haakse bocht naar rechts, er voor de verdachte aan de rechter zijde van zijn vrachtauto geen het zicht belemmerende auto’s geparkeerd stonden, maar slechts een groenstrook met lage begroeiing.
Verdachte had als beroepschauffeur onder de gegeven omstandigheden beter (in zijn spiegels) kunnen en moeten kijken waardoor hij, naar het oordeel van het hof, het latere slachtoffer mogelijkerwijs had kunnen waarnemen. Meer nog dan dat, had de verdachte – zich bewust van de omstandigheid dat er zich een fietser naast of vlak achter, in elk geval in de buurt van zijn vrachtauto bevond of op het moment van het rechtsaf slaan kon bevinden – zich ervan moeten vergewissen dat die fietser zich niet meer rechts van zijn vrachtauto bevond en rechtdoor zou gaan rijden, toen hij de haakse bocht naar rechts instuurde.
Als ervaren beroepschauffeur van een trekker met oplegger moet het hem bekend zijn dat de manoeuvre waarbij een trekker of vrachtauto rechtsaf slaat een berucht potentieel gevaarlijke manoeuvre is vanwege het beperkte zicht vanuit de cabine en een mogelijk dode hoek. Dat is ook de reden waarom dergelijke voertuigen voorzien zijn van meerdere spiegels en soms zelfs camera’s.
Daarnaast betrekt het hof in de beoordeling de omstandigheid dat de verdachte in eerste aanleg tevens is veroordeeld voor het ten tijde van het ongeval rijden onder invloed (art. 8, vijfde lid Wegenverkeerswet 1994). Blijkens de bewezenverklaring van feit 2 – welke beslissing aan dit hoger beroep niet onderworpen is en daarmee vaststaat – heeft verdachte op 2 februari 2024 te Helden een trekker met oplegger bestuurd na gebruik van amfetamine, zijnde een in artikel 2 van Pro het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro genoemde wet, het gehalte in zijn bloed bij de aangewezen stof vermelde meetbare stof 78 microgram per liter bedroeg, Dat is aanzienlijk hoger dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit bij die stoffen afzonderlijk vermelde grenswaarde.
De hiervoor genoemde omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van het hof dan ook niet een beroep op afwezigheid van alle schuld, waardoor niet aannemelijk is geworden dat verdachte niet anders kon of behoorde te handelen. Het beroep wordt dan ook verworpen.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof overweegt daartoe in het bijzonder als volgt.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt. Het gevaar veroorzakende gedrag van de verdachte heeft vreselijke gevolgen gehad, namelijk het overlijden van [slachtoffer 1] . De nabestaanden van [slachtoffer 1] hebben hun jonge zoontje en/of broertje verloren. [slachtoffer 1] had nog een heel leven voor zich en het hof heeft begrepen dat [slachtoffer 1] een lieve en zorgzame jongen en broer was. Het gemis van [slachtoffer 1] is enorm en het gezin zal nooit meer compleet zijn. Het leed dat deze tragische aanrijding heeft veroorzaakt is zeer ingrijpend, onherstelbaar en intens verdrietig. Het hof is zich ervan bewust dat geen enkele straf in verhouding staat tot de gevolgen van het ongeval en het bij de nabestaanden veroorzaakte leed.
Tegelijkertijd realiseert het hof zich dat het strafrechtelijke verwijt dat de verdachte gemaakt wordt relatief beperkt is, terwijl de gevolgen immens zijn. De verdachte wordt namelijk vervolgd en veroordeeld voor een verkeersovertreding: het overtreden van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. De strafbaarstelling van artikel 5 Wegenverkeerswet Pro 1994 beoogt de verkeersveiligheid te beschermen en betreft het strafbaar stellen van het creëren van een gevaarlijke of hinderlijke situatie op de weg. Bij de strafoplegging is een uitgangspunt dat de straf in verhouding dient te staan tot de mate van verwijtbaarheid van het verkeersgedrag. De straf mag niet in overwegende mate worden ingegeven door de ernst van de gevolgen daarvan. Het gevolg is zoals eerder aangehaald immens verdrietig, maar het strafrechtelijke verwijt op grond van deze bepaling is relatief beperkt.
Verder heeft het hof acht geslagen op de inhoud uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 5 maart 2026. Hieruit komt naar voren dat de verdachte nog niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit, ook geen verkeersdelict ook al is de verdachte reeds vele jaren werkzaam als beroepschauffeur.
Daarnaast heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft spijt betuigd en zijn excuses aangeboden aan de nabestaanden. De ouders van [slachtoffer 1] en de verdachte hebben een mediationtraject doorlopen. De spijtbetuiging van de verdachte komt bij het hof oprecht over. De verdachte heeft het zelf ook enorm lastig met deze gebeurtenis. De verdachte is naar aanleiding van het ongeval door een psychiater gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis.
Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een afdoeningsmodaliteit zoals door de advocaat-generaal gevorderd omdat daarin de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, mede gelet op de gevolgen van het strafbare feit onvoldoende tot uitdrukking komt. Het hof is van oordeel dat niet kan worden volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een geldboete ter hoogte van € 750,00, subsidiair 7 dagen hechtenis, passend en geboden. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid acht het hof het passend en geboden om tevens een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen op te leggen voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt na verlaging van de vordering in hoger beroep nog € 10.000,00 aan immateriële schade, te weten schokschade.
Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van schokschade sluit het hof aan bij de jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958). Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:
  • De aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed.
  • De wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis.
  • De aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.
Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die laatste onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel. Het geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven kunnen worden vastgesteld. Daarbij is niet vereist dat er sprake is van een diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Voldoende is dat uit een rapport van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – volgt dat sprake is van geestelijk letsel.
Tegen deze achtergrond overweegt het hof als volgt.
[slachtoffer 2] heeft haar zoontje in het mortuarium geïdentificeerd op de dag van het ongeluk. Het zien van haar zoontje daar, mede gelet op dat het lichaam gehavend was, heeft bij de benadeelde een hevige emotionele schok teweeg gebracht.
Hoewel het geenszins denkbeeldig is dat [slachtoffer 2] ten gevolge van de confrontatie met haar overleden zoontje geestelijk letsel heeft opgelopen – nog daargelaten of dat een onrechtmatig handelen jegens haar impliceert – is met de brief van mevrouw [naam] naar het oordeel van het hof niet voldaan aan de eisen die de Hoge Raad heeft gesteld aan de onderbouwing van dat geestelijke letsel. Uit de brief van mevrouw [naam] is namelijk niet naar voren gekomen dat [slachtoffer 2] kampt met geestelijk letsel ten gevolge van de confrontatie met haar overleden zoontje.
Om dit alsnog te kunnen vaststellen is nader onderzoek nodig. Het hof stelt hierbij voorop dat een belangrijk doel van de strafrechtspleging is dat zaken efficiënt en tijdig worden afgedaan en dat vorderingen van benadeelde partijen geen onevenredige belasting van het strafgeding mogen opleveren. Het hof is van oordeel dat het hiervoor bedoelde nader onderzoek een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren.
Het hof zal om die reden de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht, bijvoorbeeld op het moment dat de onderbouwing daarvan wel aan de eisen voldoet die de Hoge Raad daaraan heeft gesteld.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt na verlaging van de vordering in hoger beroep nog € 10.000,00 aan immateriële schade, te weten schokschade.
Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van schokschade sluit het hof aan bij de jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958). Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:
  • De aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed.
  • De wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis.
  • De aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.
Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die laatste onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel. Het geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven kunnen worden vastgesteld. Daarbij is niet vereist dat er sprake is van een diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Voldoende is dat uit een rapport van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – volgt dat sprake is van geestelijk letsel.
Tegen deze achtergrond overweegt het hof als volgt.
[slachtoffer 1] heeft zijn zoontje geïdentificeerd in het mortuarium op de dag van het ongeluk. Het zien van zijn zoontje daar, mede gelet op dat het lichaam gehavend was, heeft bij de benadeelde een hevige emotionele schok teweeg gebracht.
Hoewel het geenszins denkbeeldig is dat [slachtoffer 1] ten gevolge van de confrontatie met zijn overleden zoontje geestelijk letsel heeft opgelopen – nog daargelaten of dat een onrechtmatig handelen jegens hem impliceert – is naar het oordeel van het hof niet voldaan aan de eisen die de Hoge Raad heeft gesteld aan de onderbouwing van dat geestelijke letsel. Er zijn geen stukken naar voren gebracht waarin door een deskundige wordt onderbouwd dat sprake is van geestelijk letsel ten gevolge van de confrontatie met zijn overleden zoontje.
Om dit alsnog te kunnen vaststellen is nader onderzoek nodig. Het hof stelt hierbij voorop dat een belangrijk doel van de strafrechtspleging is dat zaken efficiënt en tijdig worden afgedaan en dat vorderingen van benadeelde partijen geen onevenredige belasting van het strafgeding mogen opleveren. Het hof is van oordeel dat het hiervoor bedoelde nader onderzoek een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren.
Het hof zal om die reden de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht, bijvoorbeeld op het moment dat de onderbouwing daarvan wel aan de eisen voldoet die de Hoge Raad daaraan heeft gesteld.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde;
vernietigt het vonnis waarvan beroep
ten aanzien van de beslissingen met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegdeen doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde:
veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
7 (zeven) dagen hechtenis;
ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
3 (drie) maanden;
bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :

bepaalt dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil;

vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

bepaalt dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Aldus gewezen door:
mr. W.F. Koolen, voorzitter,
mr. A.R. Hartmann en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. D.S. Yap, griffier,
en op 3 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Voetnoten

1.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 juli 2025, PL2300-2024017971-20 (afzonderlijk proces-verbaal opgesteld naar aanleiding van vragen gesteld door advocaat-generaal mr. Van Dartel) met bijlagen.