ECLI:NL:GHSHE:2026:1524

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
23/1095
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hersteluitspraak over schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in belastingzaak

Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft op 4 februari 2026 een uitspraak gedaan in hoger beroep van de inspecteur tegen belanghebbende inzake een belastingzaak. Na ontvangst van een brief van de gemachtigde van belanghebbende constateerde het hof dat in de uitspraak een fout stond in de vermelding van de woonplaats van belanghebbende en dat het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ten onrechte niet was behandeld.

Het hof heeft partijen geïnformeerd over het voornemen om een hersteluitspraak te doen waarin de Staat wordt veroordeeld tot betaling van €1.000 aan immateriële schadevergoeding wegens een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer zeven maanden. Belanghebbende stemde hiermee in, de inspecteur reageerde niet.

De hersteluitspraak corrigeert de woonplaatsvermelding en voegt een passage toe waarin het recht op vergoeding wordt vastgesteld. Tevens wordt de Staat als partij vermeld in de aanhef. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026 en er staat geen hoger beroep of cassatie meer open.

Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van €1.000 schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummers: 23/1095
Hersteluitspraak ter verbetering van de uitspraak van het hof van 4 februari 2026, nummers 23/1095, gewezen op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur
,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 juni 2023, nummer BRE 22/909, in het geding tussen inspecteur en
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.

1.Overwegingen voor herstel

Woonplaats belanghebbende
1.1.
Het hof heeft in deze zaak op 4 februari 2026 een uitspraak gedaan (hierna: de uitspraak). Nadien heeft het hof, naar aanleiding van de brief van de gemachtigde van belanghebbende van 13 februari 2026, geconstateerd dat de uitspraak de volgende fout bevat.
1.2.
In de aanhef van de uitspraak is het volgende vermeld:

[belanghebbende] ,
wonend in [plaats] ,
hierna: belanghebbende.’
1.3.
In plaats van ‘ [plaats] ’ had daar ‘ [woonplaats] ’ moeten staan.
1.4.
Herstel van deze fout brengt mee dat de uitspraak als volgt komt te luiden:

[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende.’
Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
1.5.
Verder heeft het hof, tevens naar aanleiding van de brief van de gemachtigde van belanghebbende van 13 februari 2026, geconstateerd dat in de uitspraak ten onrechte niet is beslist op het ter zitting namens belanghebbende gedane verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
1.6.
Het hof heeft bij berichten van 25 februari 2026 en 11 mei 2026 aan beide partijen laten weten van plan te zijn een hersteluitspraak te doen. Daarbij is aan partijen meegedeeld dat in de hersteluitspraak zal worden beslist dat de Staat wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag aan schadevergoeding van € 1.000 aan belanghebbende wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het hof heeft partijen daarbij in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken schriftelijk te reageren op dit voornemen. Belanghebbende heeft op dit voornemen instemmend gereageerd; de inspecteur heeft niet gereageerd.
1.7.
Herstel van de uitspraak brengt mee dat na overweging 4.10 de volgende passage wordt toegevoegd:
‘Naar aanleiding van het verzoek om vergoeding van immateriële schade door belanghebbende stelt het hof vast dat de redelijke termijn voor het afdoen van het hoger beroep met (naar boven afgerond) zeven maanden is overschreden en dat belanghebbende daarom recht heeft op vergoeding van immateriële schade van eenmaal € 1.000 (€ 500 per half jaar of deel daarvan dat de redelijke termijn is overschreden). De vergoeding komt om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid geheel voor rekening van de Staat, omdat de overschrijding slechts voor twee dagen te wijten is aan de inspecteur.’
1.8.
Aan overweging 5 (beslissing) wordt toegevoegd:
‘- veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade, vastgesteld op € 1.000.’
1.9.
Aangezien de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade, dient de Staat te worden vermeld als partij in de aanhef van de uitspraak. Na vermelding van de naam en woonplaats van belanghebbende in de aanhef wordt daarom toegevoegd:
‘en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.’

2.Beslissing

Het hof herstelt de uitspraak van 4 februari 2026, nummer 23/1095, op de hiervoor in onderdeel 1.4, 1.7, 1.8 en 1.9 vermelde wijze.
De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, raadsheer, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De raadsheer,
R. Camps E.P.A. Brakeboer
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze hersteluitspraak staat geen beroep in cassatie of een ander rechtsmiddel open. [1]

Voetnoten

1.Hoge Raad 6 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1449.