De verdachte werd door de politierechter veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden wegens het opzettelijk en wederrechtelijk gebruiken van identificerende persoonsgegevens van een ander, namelijk het tonen van een rijbewijs op naam van een derde tijdens een verkeerscontrole.
In hoger beroep vernietigt het hof het vonnis omdat de politierechter niet voldeed aan het motiveringsvoorschrift. Het hof oordeelt dat niet bewezen is dat door het gebruik van het rijbewijs enig nadeel is ontstaan, zoals vereist in artikel 231b Sr. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van dit nadeelbestanddeel.
Het hof kwalificeert het bewezenverklaarde als overtreding van artikel 231, tweede lid, Sr, het opzettelijk en wederrechtelijk gebruik van een niet op zijn naam gesteld identiteitsbewijs. Gelet op de omstandigheden en het ontbreken van een strafblad legt het hof een taakstraf van 100 uur op, waarvan 50 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De straf weerspiegelt de ernst van het feit en dient tevens het voorkomen van herhaling. De verdachte wordt vrijgesproken van het onderdeel van de tenlastelegging dat betrekking heeft op het ontstaan van enig nadeel voor de ander.