Verzoeker heeft bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch een verzoek tot herziening ingediend van een eerdere uitspraak uit 2018 over belastingaanslagen en een ontnemingsvordering. De aanslagen betroffen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en zorgverzekeringswet over de jaren 2005 tot en met 2008. De eerdere uitspraak had deels het hoger beroep van verzoeker gegrond verklaard en deels ongegrond.
Verzoeker stelde dat de betaling van de ontnemingsvordering door zijn moeder in 2024 een nieuw feit vormde dat herziening rechtvaardigde. Daarnaast voerde hij meerdere aanvullende gronden aan, waaronder het onthouden van cruciale informatie door de inspecteur, onterechte behandeling van een nadere stuk, en onrechtmatige verrekening van belastingteruggaven door de ontvanger.
Het hof oordeelde dat de betaling in 2024 geen feit was dat zich vóór de eerdere uitspraak had voorgedaan en dat de overige aangevoerde gronden geen nieuwe feiten betroffen die herziening konden rechtvaardigen. Ook verklaarde het hof zich onbevoegd ten aanzien van invorderingskwesties die onder civiele rechter vallen. Het verzoek tot herziening werd daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bleef in stand.