Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1059

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
20-001495-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22b SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f SrArt. 302 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep zware mishandeling met zwaar lichamelijk letsel en schadevergoeding

In hoger beroep heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de politierechter vernietigd en de verdachte schuldig bevonden aan zware mishandeling van het slachtoffer op 3 maart 2024 in Breda. De verdachte heeft het slachtoffer met kracht met zijn vuist in het gezicht geslagen, wat heeft geleid tot zwaar lichamelijk letsel, waaronder diverse fracturen in het aangezicht en zenuwuitval.

Het hof baseert zijn oordeel op getuigenverklaringen, videobeelden, medische rapporten en het verhoor van de verdachte zelf, die de klap heeft erkend. De verdediging voerde aan dat het letsel veroorzaakt zou zijn door valpartijen van het slachtoffer, maar het hof acht dit onaannemelijk gezien de aard en ernst van het letsel en de omstandigheden.

De strafrechtelijke kwalificatie is zware mishandeling. Het hof acht voorwaardelijk opzet aanwezig, omdat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn vuistslag zwaar lichamelijk letsel zou veroorzaken. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van één dag en een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

De benadeelde partij vordert schadevergoeding voor materiële en immateriële schade. Het hof wijst een bedrag van €3.194,99 aan materiële schade en €2.500,00 aan immateriële schade toe, met wettelijke rente vanaf de datum van het feit. Andere posten, zoals verlies van arbeidsvermogen en schade aan een bril, worden afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard. De verdachte wordt veroordeeld tot betaling van deze schadevergoeding aan de Staat der Nederlanden ten behoeve van het slachtoffer, met mogelijkheid tot gijzeling bij niet-betaling.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 1 dag gevangenisstraf, 120 uur taakstraf en schadevergoeding van €3.194,99 materieel en €2.500 immaterieel aan slachtoffer.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001495-24
Uitspraak : 16 april 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 23 mei 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-072908-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1988,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde, te weten – kort gezegd – ‘zware mishandeling’ en ‘mishandeling terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft’ en de verdachte ter zake van het meer subsidiaire ‘mishandeling’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De politierechter heeft voorts de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.809,99, bestaande uit een bedrag van 309,99 aan materiële schadevergoeding en een bedrag van € 1.500,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, met bepaling dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De politierechter heeft de verdachte veroordeeld in de kosten van het geding, welke kosten aan de zijde van de benadeelde partij zijn begroot op nihil. Ten slotte is ten behoeve van het slachtoffer de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair tenlastegelegde bewezen zal verklaren, en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 dag, alsmede een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof de gevorderde materiële schade zal toewijzen, met uitzondering van de post verlies van arbeidsvermogen, nu de behandeling van die post een onevenredige belasting oplevert van het strafgeding en de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De immateriële schade kan in de visie van de advocaat-generaal worden toegewezen tot een bedrag van € 4.000,00 en dient de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
De raadsman van de verdachte heeft – onder het bepleiten van vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde – het hof verzocht om het vonnis van de politierechter te bevestigen, met dien verstande dat de vordering van de benadeelde partij met betrekking tot de meer dan de door de politierechter toegekende schade dient te worden afgewezen. Voor het geval het hof mocht komen tot een bewezenverklaring van het primair of subsidiair tenlastegelegde, heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd.
Het vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het niet is te verenigen met de hierna te geven beslissingen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 3 maart 2024 te Breda, althans in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een fractuur van de oogkas en/of een fractuur van de kaak, heeft toegebracht door die [slachtoffer] (met kracht) te slaan en/of stompen tegen het gezicht en/of het hoofd, althans tegen het lichaam;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 maart 2024 te Breda, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] (met kracht) te slaan en/of stompen tegen het gezicht en/of het hoofd, althans tegen het lichaam, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een fractuur van de oogkas en/of een fractuur van de kaak ten gevolge heeft gehad;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 maart 2024 te Breda, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] :
- ( met kracht) te slaan en/of stompen tegen het gezicht en/of het hoofd, althans tegen het lichaam, en/of
- te duwen tegen het lichaam.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 3 maart 2024 te Breda aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een fractuur van de oogkas en een fractuur van de kaak, heeft toegebracht door die [slachtoffer] met kracht te slaan en/of te stompen tegen het gezicht.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het proces-verbaal van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, op ambtsbelofte opgesteld door verbalisant [verbalisant] , brigadier van politie, registratienummer PL2000-2024054668, gesloten d.d. 16 maart 2024, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 39.
1.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 3 maart 2024 (dossierpagina’s 5-7), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer] :
Plaats delict: [locatie] , Breda
Pleegdatum/tijd: 3 maart 2024
Ik doe aangifte van mishandeling. Ik heb niemand toestemming gegeven. Ik ben uit het niets geslagen in de [locatie] bij de [bedrijf 1] . Aan niemand werd het recht of toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
2.
Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 3 maart 2024 (dossierpagina’s 17-18), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van getuige [getuige 1] :
Op 3 maart 2024, omstreeks 01.30 uur, verklaarde [getuige 1] tegen mij dat zij getuige was geweest van een mishandeling in de [locatie] voor uitgaansgelegenheid
de [bedrijf 1] .
De getuige verklaarde als volgt:
Rond 01.15 uur was ik buiten de [bedrijf 1] aan het bellen. Ik zag in mijn ooghoek dat er een man en vrouw omvielen. Ik moest er een beetje om lachen. Het slachtoffer kwam naar mij toe, dreigend, omdat ik lachte. Toen kwam er iemand anders die het voor mij opnam. Deze persoon, de verdachte, duwde de man van mij weg. De man kwam terug en toen kreeg hij een klap. Hij (
het hof begrijpt: verdachte) sloeg met rechter vuist. Een harde klap. Slachtoffer viel op de grond.
3.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 maart 2024 (dossierpagina’s 21-23), voor zover – en waar nodig zakelijk weergegeven – inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 3 maart 2024 heb ik onderzoek gedaan naar videobeelden. Gemeente Breda heeft beelden veiliggesteld en aan de politie overgedragen.
Bestandnaam: 2-03-2024 Aanhouding [locatie] .1.mp4
Bij het openen van het videobestand zie ik dat de camera gericht staat naar de [locatie] in Breda.
Ter hoogte van [bedrijf 1] zie ik een man, wat later het slachtoffer blijkt te zijn.
Ik zie dat het slachtoffer en de verdachte op dat moment contact met elkaar hebben. Zij staan op straatbreedte, pak ‘m beet 5 meter afstand, van elkaar. Ik zie dat het slachtoffer naar de verdachte toe loopt. Ik zie dat het slachtoffer neus aan neus bij verdachte gaat staan. Direct hierna geeft verdachte, met twee handen, een forse duw tegen de borst van het slachtoffer. Slachtoffer deinst door deze duw achteruit en komt achterwaarts ten val.
Ik zie dat het slachtoffer zelfstandig overeind komt. Slachtoffer en verdachte staan op dat moment ongeveer 1 meter van elkaar vandaan en kijken naar elkaar. Er lijkt over en weer wat gezegd te worden. Na enkele seconden zie ik verdachte zijn rechtervuist laag achterwaarts brengen en vervolgens een snelle, harde zwaai voorwaarts maken. Ik zie dat verdachte hierbij het slachtoffer vol op de linkerkant van zijn gezicht raakt.
Ik zie dat het slachtoffer door deze klap direct in elkaar zakt en op straat valt. Ik zie dat het slachtoffer enige tijd bewegingsloos op straat blijft liggen en door omstanders geholpen wordt.
4.
Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 3 maart 2024 (dossierpagina’s 15-16), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 2] :
Op 3 maart 2024 stond ik buiten de deur van [bedrijf 2] gelegen in de [locatie] in Breda.
Ik zag geen verwondingen aan het gezicht van het slachtoffer, voordat hij geslagen werd.
5.
Een overig geschrift, te weten een geneeskundige verklaring, betreffende het slachtoffer [slachtoffer] d.d. 12 maart 2024 (dossierpagina 8), voor zover inhoudende als verklaring van [arts 1] , kaakchirurg:
Medische informatie betreffende:
Achternaam : [slachtoffer]
Voornamen : [slachtoffer]
Geboren : [geboortedag 2] 1978
Geboorteplaats : [geboorteplaats 2] in Nederland
Omschrijving van het letsel.
A. Uitwendig waargenomen letsel:
Hematoom
Is er sprake van uitwendig bloedverlies? Ja
Is er vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel? Ja
Is er vermoeden van inwendig bloedverlies? Ja
Psychische stoornissen?
Storingen in het bewustzijn? Ja
Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 3/3/24
E. Overige van belang zijnde informatie (operaties, blijvend letsel, etc.)
  • Zygoma II + neus lateraal II links
  • Zenuwuitval linker wang
F. geschatte duur van genezing:
6 weken.
6.
Een overig geschrift, te weten een medisch verslag, betreffende het slachtoffer [slachtoffer] d.d. 3 maart 2024 (los gevoegd), voor zover inhoudende als verklaring van [arts 2] , radioloog:
Patiënt [slachtoffer]
Geb. datum [geboortedag 2] 1978
Bezoekdatum : 03-03-2024
Onderzoek(en) : CT Aangezicht
fractuur op serie 5 en 2 axiaal IMA 40, aan de basis van het os zygoma.
Zeer uitgebreide fracturering van alle wanden van de sinus maxillaris links met verplaatsing van fragmenten naar centraal. Evidente impressie fracturering.
Daarnaast ook fractuur van de orbitabodem links.
Deels opgevulde neusbijholten met vocht en bloed: Ter hoogte van de oogkas maar ook meer caudaal links lateraal van de maxilla/sinus maxillaris zijn uitgebreide luchtcollecties zichtbaar.
7.
Een overig geschrift, te weten een schriftelijke toelichting met bijlagen bij het ingevulde verzoek tot schadevergoeding, gevoegd bij de vordering benadeelde partij, d.d. 16 mei 2024, voor zover inhoudende het volgende:

Inleidende opmerkingen

De heer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) is op 3 maart 2024 slachtoffer geworden van een ernstig geweldsmisdrijf. Hij voegt zich in dit strafproces tegen de verdachte, de heer [verdachte] , als benadeelde partij.
(…)
Medisch | gevolgen
[slachtoffer] is in de nacht van 3 maart 2024 in het centrum van Breda in elkaar geslagen door verdachte. [slachtoffer] kreeg van verdachte een harde klap vol op zijn gezicht. Door deze klap zakte [slachtoffer] direct in elkaar en viel hij op de grond. [slachtoffer] is door de klap buiten bewustzijn geraakt. Hij heeft enige tijd bewegingsloos op de straat gelegen en is door omstanders geholpen. Na het voorval groeide zichtbaar een grote bult op de rechterkant van het hoofd van [slachtoffer] . [slachtoffer] herinnert zich dat hij pas bij bewustzijn is gekomen in de ambulance. (…) Met de ambulance is hij naar het Amphia ziekenhuis in Breda gebracht.
In het Amphia ziekenhuis is [slachtoffer] onderzocht en opgenomen. Aldaar zijn diverse scans gemaakt van onder andere het hoofd, waarbij uitgebreid letsel aangezicht links met fracturering en forse aanliggende weke delenletsel werd geconstateerd. Meer specifiek blijkt uit de bijgevoegde medische informatie (de CT-scan van de hersenen) dat sprake was van een trauma capitis na klap tegen het hoofd, waarbij bdz hematoom en bewustzijnsverlies, was een fors extracraniaal hematoom zichtbaar rechts frontopariëtaal, uitgebreide fracturering van het linkeraangezicht, met fracturen van de sinus maxillaris (= kaakbijholte) met verplaatsing fragmenten naar mediaal. Verdenking orbitabodemfractuur. Lucht binnen de oogkas en aanliggend forse wekedelenzwelling.
Uit de CT-scan van het aangezicht blijken nog meer fracturen. Onder andere wordt aangegeven: een fractuur op serie 5 en 2 axiaal IMA 40, aan de basis van het os zygoma (- het jukbeen/de jukboog), zeer uitgebreide fracturering van alle wanden van de sinus maxillaris (= kaakbijholte) links met verplaatsing van fragmenten naar centraal. Evidente impressie fracturering. Daarnaast ook fractuur van de orbitabodem (-oogkas) links zie bijvoorbeeld coronaal serie 503, IMA 19. Deels opgevulde neusbijholten met vocht en bloed. Ter hoogte van de oogkas maar ook meer caudaal, links lateraal van de maxilla/sinus maxillaris zijn uitgebreide luchtcollecties zichtbaar.
Als gevolg van de mishandeling heeft [slachtoffer] dus ernstig letsel opgelopen, waaronder diverse breuken in zijn gezicht - waaronder ieder geval breuken in de kaak, het jukbeen en de oogkas - en hematomen. Voorts was ook sprake van vocht, bloed en lucht binnen de oogkas en neusbijholten. Later bleek ook dat sprake was van zenuwuitval in de linkerkant van zijn gezicht en een breuk in de neus. Bij een controle in het ziekenhuis (12 maart 2024) drukte de arts op zijn neus en [slachtoffer] schreeuwde het uit. Verwezen wordt ook naar het procesdossier, onder andere pagina 8; geneeskundige verklaring van 12 maart 2024 en de foto's op pagina 9 en 10.
[slachtoffer] had na het voorval veel pijn aan zijn gezicht en hoofd. Hij had (ook) veel last van hoofdpijn, voornamelijk bonzen in zijn hoofd. Hiervoor heeft [slachtoffer] (sterke) medicijnen (pijnstillers), waaronder diclofenac, voorgeschreven gekregen. Hij heeft twee weken plat op bed en de bank gelegen.
Totaal gedurende zes weken heeft [slachtoffer] rust moeten houden. Los van de pijn schaamde [slachtoffer] zich voor zijn 'toegetakelde uiterlijk'. Hij kon zichzelf niet in de spiegel aankijken en wilde ook dat niemand hem zag. Zijn ogen zaten zicht, zijn hele gezicht was bont en blauw, op zijn hoofd zat een grote bult en zijn kaken waren zo opgezet dat hij zijn mond nauwelijks kon opendoen. De eerste dagen na het voorval heeft [slachtoffer] dan ook alleen maar vloeibaar voedsel kunnen eten.
(…)
De plek van de bult op het hoofd is tot op heden gevoelig, er zit ook nog altijd een verkleuring en een verdikking. Tot op heden heeft [slachtoffer] geen gevoel aan de linkerkant van zijn gezicht, voornamelijk rond de kaak (van zijn neus naar zijn wang). Er is sprake van zenuwuitval. Zijn zenuw in zijn gezicht is flink beschadigd. Er staan nog (bel)afspraken met de arts(en) in het ziekenhuis gepland. Het is afwachten of - en zo ja, wanneer - het gevoel in de kaak beter wordt. Door de arts is aangegeven dat dit minimaal zes maanden kan duren. Als het gevoel dan nog niet terug is, dient [slachtoffer] zich wederom tot de behandelende sector te wenden om de vervolgopties te bespreken.
Dat [slachtoffer] tot op heden nog altijd geen gevoel heeft in zijn gezicht/kaak is onder andere heel erg vervelend met eten. Tot op heden heeft [slachtoffer] ook nog altijd snel hoofdpijn.
8.
Het proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 3 maart 2024 (dossierpagina’s 28-31), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord verdachte
V: Zoals eerder gezegd wordt u verdacht van een zware mishandeling.
heb vanmorgen verklaringen ingelezen en camerabeelden van het incident bekeken. Ik herken u daarbij ook als de man die ik op beeld de mishandeling zie plegen.
A: (…) ik heb die slag uitgedeeld.
Bewijsoverwegingen
I.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
II.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Daartoe is – in de kern weergegeven – aangevoerd dat het causaal verband tussen het letsel van het slachtoffer, meer in het bijzonder de fracturen, en de klap van de verdachte niet kan worden vastgesteld, nu het slachtoffer voorafgaande aan de klap twee keer is gevallen, waaronder eenmaal voorover met zijn gezicht op straat en een keer achterwaarts, in welk verband voorts nog is aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte met zijn vuist heeft geslagen.
Het hof overweegt als volgt.
Naar het oordeel van het hof vinden de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging, alsmede de ontkenning van de verdachte dat hij het slachtoffer met zijn vuist heeft geslagen, hun weerlegging in de inhoud van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen.
Het hof heeft gelet op de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep geen reden om aan de betrouwbaarheid en de juistheid van de bewijsmiddelen te twijfelen. De inhoud van de verklaringen en het proces-verbaal van bevindingen betreffende de camerabeelden is immers in de kern gelijkluidend, waarbij deze elkaar over en weer ondersteunen, met name waar het de feitelijke toedracht van het tenlastegelegde betreft. Getuige [getuige 1] heeft immers verklaard dat de verdachte het slachtoffer een harde klap met zijn rechtervuist heeft gegeven. Verbalisant [verbalisant] heeft de camerabeelden van het incident uitgekeken en beschreven en relateert dat op de camerabeelden kan worden waargenomen dat de verdachte zijn rechtervuist laag achterwaarts brengt en vervolgens een snelle, harde zwaai voorwaarts maakt en het slachtoffer daarbij vol op de linkerkant van zijn gezicht raakt. Aldus acht het hof bewezen dat de verdachte het slachtoffer met kracht met zijn vuist heeft geslagen en/of gestompt.
Uit de tot het bewijs gebezigde stukken komt naar voren dat bij het slachtoffer nadien diverse fracturen zijn vastgesteld, waaronder een zygomafractuur (jukbeen) aan de linkerzijde, zeer uitgebreide fracturing aan de linkerzijde van alle wanden van de sinus maxillaris (botten van de holte in de bovenkaak) en een fractuur in de orbitabodem (oogkas) aan de linkerzijde. Daarnaast was sprake van zenuwuitval klachten in de linkerwang, welke klachten geruime tijd hebben aangehouden. Verder kan worden vastgesteld dat het uitzicht op volledig herstel in belangrijke mate heeft ontbroken en gepaard is gegaan met een langere periode van onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel. Tijdens die periode is sprake geweest van ongemak en fysieke beperkingen. Dit en hetgeen omtrent het letsel overigens uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt, getoetst aan de maatstaven als genoemd in rov. 2.3 t/m 2.7 van het arrest van de Hoge Raad van 3 juli 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1051), brengt het hof tot het oordeel dat sprake is geweest van zwaar lichamelijk letsel.
In weerwil van het ter zake gevoerde verweer van de raadsman, acht het hof het onaannemelijk dat het letsel van het slachtoffer is veroorzaakt doordat het slachtoffer een of twee keer is gevallen. Daartoe overweegt het hof dat het letsel, te weten fracturen van het jukbeen, de kaak en de oogkas, zulks telkens aan de linkerzijde van het gezicht, geheel passend is bij een krachtige vuistslag in het gezicht aan de linkerzijde en derhalve past bij de uit de aangifte en de bewijsmiddelen naar voren komende feitelijke toedracht.
Bij dit oordeel betrekt het hof voorts nog dat een getuige voorafgaande aan de klap van de verdachte geen letsel bij het slachtoffer heeft waargenomen. Daarnaast geldt dat, gelet op de aard en het aantal fracturen, sprake moet zijn geweest van een zeer forse krachtinwerking op die plaats in het gezicht. Het hof acht het onaannemelijk dat de door de verdediging benoemde eenvoudige val voormeld letsel heeft veroorzaakt, temeer daar het slachtoffer na de val meteen is opgestaan. Het slachtoffer is daarentegen na de klap van de verdachte buiten bewustzijn geweest. In dat verband acht het hof het eveneens onaannemelijk dat het slachtoffer, uitgaande van de lezing van de verdediging dat het letsel is veroorzaakt door een val, daarna in die gewonde toestand meteen de confrontatie zou hebben gezocht met de verdachte.
Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte met diens krachtige vuistslag in het gezicht van het slachtoffer het zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer veroorzaakt en is er daarnaast sprake geweest van voorwaardelijk opzet, gericht op het toebrengen daarvan. Het hof overweegt daartoe het volgende.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - in dit geval zwaar lichamelijk letsel - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg heeft aanvaard.
Door het slachtoffer met kracht een harde vuistslag tegen of in het gezicht te geven, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Naar algemene ervaringsregels roept het geven van een harde vuistslag in het gezicht de aanmerkelijke kans in het leven dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel oploopt, nu het hoofd en/of het gezicht een uiterst kwetsbaar lichaamsdeel is. Dat de verdachte hard en gericht sloeg leidt het hof af uit onder meer de verklaring van getuige [getuige 1] , inhoudende dat zij zag dat de verdachte hard sloeg en het slachtoffer meteen viel, alsmede de beschrijving van de camerabeelden, waaruit volgt dat de verdachte zijn vuist naar achteren bracht en een snelle harde zwaai maakte en het slachtoffer daarbij vol in het gezicht raakte. Ook de aard en het aantal fracturen, alsmede de omstandigheid dat het slachtoffer het bewustzijn verloor, acht het hof redengevend voor het oordeel dat de verdachte met een grote kracht heeft geslagen. (vgl. HR 14 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:661)
Nu het algemene ervaringsregels betreft, heeft een ieder - en dus ook verdachte - wetenschap van het bestaan van deze aanmerkelijke kans. Het op voormelde wijze slaan door de verdachte is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat hieruit volgt dat de verdachte die aanmerkelijke kans op dit gevolg ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat de verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is het hof niet gebleken.
Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.
Indien en voor zover er van de zijde van de verdediging is beoogd een noodweerverweer te voeren, oordeelt het hof dat het verweer niet kan slagen, daar de inhoud van de bewijsmiddelen de voor noodweer vereiste ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding c.q. onmiddellijk dreigend gevaar voor een dergelijke aanranding, weerlegt. Het feit is derhalve strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof aan de verdachte oplegt een gevangenisstraf voor de duur van 1 dag, in combinatie met een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis.
De raadsman van de verdachte heeft, mocht het hof komen tot een bewezenverklaring van het primair of subsidiair tenlastegelegde, bepleit dat het hof zal volstaan met de oplegging van een taakstraf, zonder daarnaast de oplegging van een gevangenisstraf. Het hof is op grond van het taakstrafverbod niet gehouden tot de oplegging van een gevangenisstraf, nu het taakstrafverbod in strijd is met de triaspolitica en gevangenisstraffen tot en met 14 dagen in de praktijk worden kwijtgescholden, aldus de raadsman.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling van het slachtoffer [slachtoffer] . De verdachte heeft het slachtoffer met zijn vuist en met kracht in het gezicht geslagen. Het slachtoffer heeft daardoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen, bestaande uit onder meer diverse fracturen in het aangezicht en zenuwuitval klachten. Door aldus te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij door het slachtoffer en diens advocaat op de terechtzitting in hoger beroep, komt naar voren dat het feit een zeer grote impact heeft gehad op het slachtoffer en dat hij nog altijd niet volledig is hersteld. Bovendien brengt dergelijk handelen gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg, temeer nu het bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden gedurende een uitgaansnacht in het centrum van Breda. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Anderzijds houdt het hof bij de straftoemeting rekening met de omstandigheid dat de verdachte het toebrengen van het zwaar lichamelijk letsel niet ten volle heeft beoogd, maar dat zulks een voorwaardelijk gewild gevolg betreft.
Het hof heeft acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 5 februari 2026, betreffende het justitiële verleden van de verdachte, alsmede op de inhoud van het uittreksel uit het European Criminal Records Information System (ECRIS) België, d.d. 3 maart 2024, uit welke stukken blijkt dat de verdachte niet eerder wegens strafbare feiten is veroordeeld.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. In dat verband heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij momenteel op basis van een tijdelijk contract werkt als dakdekker.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, alsmede het bepaalde in artikel 22b, eerste lid onder a, van het Wetboek van Strafrecht – het zogenoemde taakstrafverbod – niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Anders dan de raadsman heeft betoogd, is het hof van oordeel dat het wettelijke taakstrafverbod van toepassing is en mitsdien acht het hof zich daaraan gebonden.
Alles afwegende en bezien tegen de achtergrond van het taakstrafverbod van artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht, acht het hof de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één dag gecombineerd met taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, passend en geboden. Het hof komt daarmee tot een lagere straf dan welke door de advocaat-generaal is gevorderd, nu het hof van oordeel is dat deze op te leggen straf voldoende recht doet aan de ernst van het feit, alsmede de omstandigheden waaronder het is begaan.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 12.586,49, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op materiële en immateriële schade en valt uiteen in de navolgende posten:
€ 150,00 vervanging bril;
€ 9,10 reis- en parkeerkosten;
€ 474,89 medische kosten;
€ 211,00 verzorging en begeleiding;
€ 241,50 verzorging dieren;
€ 1.500,00 verlies van arbeidsvermogen;
€ 10.000,00 immateriële schade.
De politierechter heeft de vordering bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.809,99, bestaande uit een bedrag van 309,99 aan materiële schadevergoeding en een bedrag van € 1.500,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, met bepaling dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de vordering in hoger beroep te handhaven.
De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof overeenkomstig de politierechter zal beslissen, met dien verstande dat het hof de vordering wat betreft de niet toegewezen schade zal afwijzen.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat gevorderde materiële schade kan worden toegewezen, met uitzondering van de post verlies van arbeidsvermogen, nu de behandeling van dit onderdeel van de vordering een onevenredige belasting oplevert van het strafgeding, zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. De immateriële schade kan volgens de advocaat-generaal worden toegewezen tot een bedrag van € 4.000,00, waarbij de benadeelde partij voor het overige eveneens niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht tot een totaalbedrag van € 3.194,99. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Materiële schade
Het hof is van oordeel dat de schadeposten genoemd onder nummers 2 tot en met 4, voldoende door de benadeelde partij zijn onderbouwd dan wel aannemelijk zijn gemaakt en voorts dat deze inhoudelijk niet door de verdediging zijn betwist. Het hof acht deze schadeposten derhalve geheel toewijsbaar.
De gevorderde schade ter zake van de bril acht het hof onvoldoende onderbouwd. Uit het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de bril van het slachtoffer als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen is beschadigd. Zulks is in de aangifte niet gesteld en nadere stukken of bescheiden, waaruit dit zou moeten blijken, ontbreken. Het hof zal de vordering op dat punt dan ook afwijzen.
De post verzorging dieren ad € 241,50 wordt eveneens afgewezen. Het hof acht deze schadepost door de verdediging onvoldoende onderbouwd.
Het hof is van oordeel dat thans, in het kader van deze strafrechtelijke procedure, een nader onderzoek naar de gegrondheid van de post verlies van het arbeidsvermogen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Mitsdien zal het hof de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij kan deze schadepost slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen, die in een civiele procedure beter dan de strafrechter is geëquipeerd om te beoordelen of de vordering tot schadevergoeding als gevolg van het gestelde verlies aan arbeidsvermogen voor toewijzing in aanmerking komt.
Immateriële schade
Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte immateriële schade heeft geleden. Daartoe overweegt het hof dat uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezenverklaarde mishandeling pijn en letsel heeft bekomen. Immers, de benadeelde partij heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen, te weten fracturen in het jukbeen, de oogkas en botten in de kaak. Uit de onderbouwing bij de schadevordering en de gegeven toelichting ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken welke impact het bewezenverklaarde handelen van de verdachte op de benadeelde partij heeft gehad en nog steeds heeft. Het door de benadeelde partij opgelopen lichamelijk letsel levert op grond van artikel 6:106, onder b, van het Burgerlijk wetboek reeds zelfstandige grond op voor schadevergoeding. Daarnaast is het hof van oordeel dat het gestelde geestelijk letsel dat door het bewezenverklaarde handelen is opgetreden valt onder het bereik van voormeld artikel. De immateriële schade is dan ook een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit, de verdachte is daarvoor aansprakelijk en deze schade komt voor vergoeding in aanmerking. Het hof begroot de hierdoor ontstane immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 2.500,00. Het meer of anders gevorderde met betrekking tot deze schadepost zal bijgevolg worden afgewezen.
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2024, zijnde de bewezenverklaarde datum, tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten, welke kosten aan de zijde van de benadeelde partij tot aan de datum van deze uitspraak worden begroot op nihil.
Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 3.194,99. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) dag;

veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
60 (zestig) dagen hechtenis;
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 3.194,99 (zegge: drieduizend honderdvierennegentig euro en negenennegentig cent)bestaande uit
€ 694,99 (zegge: zeshonderdvierennegentig euro en negenennegentig cent)aan materiële schade en
€ 2.500,00 (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade,vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 7.891,50 (zegge: zevenduizend achthonderd en eenennegentig euro en vijftig cent)bestaande uit
€ 391,50 (zegge: driehonderdeenennegentig euro en vijftig cent)materiële schade en
€ 7.500,00 (zegge: zevenduizend vijfhonderd euro)immateriële schade af;
verklaart de benadeelde partij voor het overige
(€ 1.500,00,verlies van arbeidsvermogen
)niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 3.194,99 (zegge: drieduizend honderdvierennegentig euro en negenennegentig cent)bestaande uit
€ 694,99 (zegge: zeshonderdvierennegentig euro en negenennegentig cent)als vergoeding van materiële schade en
€ 2.500,00(zegge:
tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 33 (drieëndertig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat der Nederlanden ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Aldus gewezen door:
mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,
mr. C.A. van Roosmalen en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T.S. Vos, griffier,
en op 16 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. C.P.J. Scheele is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.