Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1030

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
25/1424
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:32a AwbArt. 8:68 AwbArt. 8:75 AwbArt. 12 lid 7 Procesregeling belastingkamers gerechtshoven 2025Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen aanslag inkomstenbelasting 2020 en verzuimboete bevestigd na ambtshalve vermindering

Belanghebbende kreeg een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2020 opgelegd, inclusief een verzuimboete en belastingrente. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd de aanslag gehandhaafd zoals vastgesteld bij uitspraak op bezwaar, waarbij de rechtbank het bezwaar gegrond verklaarde en de inspecteur het griffierecht moest vergoeden.

Belanghebbende stelde in hoger beroep dat de aanslag en boete onterecht of te hoog waren. Het hof constateerde dat belanghebbende niet tijdig aangifte had gedaan ondanks uitnodigingen en aanmaningen. De inspecteur had de aanslag ambtshalve verminderd naar het werkelijke inkomen van €4.269, gebaseerd op een jaaropgave van de gemeente. De verzuimboete was passend en niet onterecht opgelegd, aangezien geen sprake was van afwezigheid van alle schuld.

Het hof wees het verzoek tot heropening van het onderzoek af wegens gebrek aan motivatie en zag geen aanleiding artikel 8:32a Wet Awb toe te passen. Tevens constateerde het hof een misslag in het dictum van de rechtbank, die de aanslag en boete niet handhaafde zoals verminderd door de inspecteur. Daarom vernietigde het hof de uitspraak van de rechtbank en handhaafde de aanslag, boete en belastingrente zoals verminderd door de inspecteur.

Belanghebbende was niet verschenen bij de zitting, maar was correct uitgenodigd. Het hof oordeelde dat het hoger beroep ongegrond is en dat er geen reden is het griffierecht te vergoeden of proceskosten toe te wijzen. De uitspraak is gedaan op 15 april 2026 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en handhaaft de aanslag, boete en belastingrente zoals ambtshalve verminderd door de inspecteur.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 25/1424
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 6 augustus 2025, nummer BRE 24/3647, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2020 opgelegd (hierna: de aanslag). Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en een verzuimboete opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Gelijktijdig heeft de inspecteur de aanslag en belastingrentebeschikking ambtshalve verminderd en de verzuimboete gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, het bezwaar gegrond verklaard, de aanslag, belastingrentebeschikking en verzuimboete gehandhaafd zoals vastgesteld bij uitspraak op bezwaar en bepaald dat de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende en de inspecteur hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de wederpartij.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn namens de inspecteur verschenen: [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Belanghebbende is niet verschenen. De griffier heeft verklaard dat zij belanghebbende bij bericht van 23 januari 2026 heeft uitgenodigd voor de zitting met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Dit bericht is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Uit het systeem (Mijn Rechtspraak) volgt dat op 23 januari 2026 om 14.16 uur een notificatiemail naar het e-mailadres [e-mailadres] is verzonden. In de bijlage bij deze uitspraak, die integraal onderdeel uitmaakt van de uitspraak, zijn schermprinten van de statusinformatie van het verzendbewijs opgenomen.
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.8.
Na sluiting van het onderzoek heeft het hof meerdere stukken van belanghebbende, zonder begeleidend schrijven, ontvangen. Het hof heeft de inzending van de stukken opgevat als een verzoek om heropening van het onderzoek. Het hof heeft het verzoek op de hierna onder 4.2. vermelde gronden afgewezen.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft in 2020 van de Gemeente Eindhoven een inkomen op grond van de Participatiewet ontvangen van € 4.269.
2.2.
De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte IB/PVV 2020.
2.3.
Belanghebbende heeft geen aangifte IB/PVV 2020 ingediend.
2.4.
De inspecteur heeft met dagtekening 13 september 2023 ambtshalve de aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.269. Tevens is bij beschikking € 1.393 belastingrente in rekening gebracht en een verzuimboete van € 385 opgelegd.
2.5.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard. Gelijktijdig met de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur ambtshalve de aanslag verminderd naar een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 4.269, de belastingrente verminderd tot nihil en de verzuimboete gehandhaafd.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslag ten onrechte dan wel tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de aanslag, belastingrente- en boetebeschikking. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Vooraf
4.1.
Zoals volgt uit de onder 1.6 vermelde verklaring is de uitnodiging voor de zitting bij het hof op 23 januari 2026 in Mijn Rechtspraak geplaatst. Op die dag is een e-mail verstuurd, waaruit blijkt dat een bericht voor hem toegankelijk is in het digitale systeem, naar het e-mailadres [e-mailadres] . Belanghebbende heeft zich aangemeld bij Mijn Rechtspraak en daarbij dit e-mailadres opgegeven. Dit is daarom het e-mailadres waar het systeem (Mijn Rechtspraak) de notificaties heen stuurt. Het hof gaat er daarom van uit dat de e-mail met de notificatie aan het juiste e-mailadres is verstuurd en dat het tijdstip van verzending van de notificatie ook het tijdstip is waarop de geadresseerde het bericht heeft ontvangen. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. [1]
4.2.
Het hof merkt de onder 1.8 vermelde stukken aan als een verzoek tot heropening van het onderzoek, als voorzien in artikel 8:68 Algemene Pro wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het hof heeft in dat wat belanghebbende aanvoert geen reden gevonden om tot heropening van het onderzoek over te gaan. Het verzoek van belanghebbende is immers niet gemotiveerd. Het hof rekent die stukken van belanghebbende niet tot de gedingstukken en slaat daar geen acht op.
4.3.
De inspecteur verzoekt het hof onder verwijzing naar artikel 12, lid 7, Procesregeling belastingkamers gerechtshoven 2025 dan wel artikel 8:32a Awb belanghebbende te laten aangeven voor welke stelling zijn gegevens of bescheiden van belang zijn en/of welke onderdelen daartoe van belang zijn.
4.4.
Het hof geeft de inspecteur na dat de door belanghebbende ingediende stukken inderdaad omvangrijk zijn, zonder dat hij daarbij heeft aangegeven wat de relevantie is voor zijn stellingen. Het hof ziet desondanks geen aanleiding om artikel 8:32a Awb toe te passen, gelet op de aard van de door belanghebbende ingediende stukken en dat wat in hoger beroep in geschil is. Van een schending van de goede procesorde is geen sprake. De inspecteur wordt in dit geval namelijk niet benadeeld door het niet toepassen van artikel 8:32a Awb.
Ten aanzien van het geschil
4.5.
Het hof begrijpt belanghebbende zo dat hij stelt dat de aanslag en de verzuimboete ten onrechte dan wel tot een te hoog bedrag zijn opgelegd. De rechtbank heeft in dat kader het volgende overwogen:

Het inkomen uit werk en woning
4.3.
De inspecteur heeft het inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 4.269 op basis van de door de Gemeente Eindhoven verstrekte jaaropgave. Belanghebbende heeft niet gesteld laat staan aannemelijk gemaakt dat het volgens de jaaropgave ontvangen inkomen onjuist zou zijn. De rechtbank is van oordeel dat de aanslag IB/PVV 2020 terecht is opgelegd en ook niet te hoog is.
Verzuimboete
4.4.
Ten aanzien van de opgelegde verzuimboete overweegt de rechtbank als volgt. De inspecteur kan een verzuimboete opleggen als een belastingplichtige niet of niet tijdig de aangifte IB/PVV heeft ingediend.3 Een aangifte is niet tijdig ingediend als de belastingplichtige niet binnen de op de aanmaning genoemde termijn zijn aangifte indient. Voor het opleggen van deze boete is dus vereist dat belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte en na het verlopen van de gestelde termijn is aangemaand tot het doen van aangifte.
4.5.
De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd tot het doen van aangifte en vervolgens aangemaand tot het doen van aangifte. Belanghebbende heeft niet binnen de door de inspecteur gestelde termijn een aangifte ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank is de verzuimboete in overeenstemming met de wet opgelegd.
4.6.
De mate van verwijtbaarheid speelt voor de verzuimboete geen rol, maar de boete moet achterwege blijven indien sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas). Voor een geslaagd beroep op avas moet belanghebbende aannemelijk maken dat hij in de gegeven omstandigheden alle in redelijkheid van hem te vergen zorg heeft betracht om ervoor te zorgen dat het verzuim niet zou worden begaan.4 Belanghebbende heeft dit niet gesteld noch aannemelijk gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van avas.
4.7.
Het wettelijke maximum voor de verzuimboete was in het jaar 2020 € 5.514. De inspecteur heeft een boete opgelegd van € 385. Belanghebbende heeft geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om de boete te matigen. De rechtbank acht de boete dan ook passend en geboden.
Belastingrente
4.8.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. De inspecteur heeft de belastingrente bij uitspraak op bezwaar reeds verminderd tot nihil. De rechtbank handhaaft de belastingrentebeschikking zoals vastgesteld bij uitspraak op bezwaar.”.
4.6.
De rechtbank heeft op goede gronden een juiste beslissing gegeven. Al wat belanghebbende naar voren heeft gebracht, leidt niet tot een ander oordeel.
4.7.
Het hof constateert ambtshalve dat er sprake van een misslag in het dictum in de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft ten onrechte de aanslag, de boetebeschikking en de belastingrentebeschikking gehandhaafd zoals deze zijn vastgesteld bij uitspraak op bezwaar. De rechtbank had de aanslag, de boetebeschikking en de belastingrentebeschikking moeten handhaven zoals deze luiden na de ambtshalve vermindering van de inspecteur van 27 maart 2024 (zie 1.2 en 2.5). Het hof zal de uitspraak van de rechtbank daarom vernietigen wegens een ambtshalve geconstateerde misslag.
4.8.
Voor zover belanghebbende in hoger beroep heeft gesteld dat hij ten onrechte in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) is opgenomen, heeft het volgende te gelden. De rechtmatigheid van het besluit van de inspecteur om een aangifte te controleren wordt in beginsel niet aangetast door de manier waarop informatie over de belastingplichtige is verwerkt. Dat kan anders zijn indien de controle van de aangifte voortvloeit uit een risicoselectie, een verwerking van persoonsgegevens in een databank of een gebruik van een databank waarin persoonsgegevens zijn opgeslagen, op basis van een criterium dat jegens de belastingplichtige leidt tot een schending van een grondrecht zoals een schending van het verbod op discriminatie naar afkomst, geaardheid of geloofsovertuiging. [2] Gesteld noch gebleken is dat sprake is van de schending van een grondrecht.
Tussenconclusie
4.9.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.10.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.11.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissing over het griffierecht;
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • verklaart het bezwaar van belanghebbende gegrond;
  • handhaaft de aanslag, de boetebeschikking en de belastingrentebeschikking zoals deze luiden na de ambtshalve vermindering van de inspecteur van 27 maart 2024.
De uitspraak is gedaan door A.J. Kromhout, voorzitter, M.E. Smorenburg en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026 en een afschrift van de uitspraak zijn op die datum is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De uitspraak is alleen door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters A.J. Kromhout
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Bijlage: schermprinten van de statusinformatie van het verzendbewijs van de uitnodiging voor de zitting

Voetnoten

1.Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:158.
2.Hoge Raad 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1748.