Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1004

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
20-002006-23 (OWV)
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 74 AWRArt. 6:6:25 SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontnemingsmaatregel van wederrechtelijk verkregen voordeel in belastingfraude en witwassen

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft op 16 april 2026 in hoger beroep uitspraak gedaan over de ontnemingsvordering ex artikel 36e Sr tegen betrokkene, die samen met medeverdachte feitelijk leiding gaf aan belastingfraude en witwassen via meerdere vennootschappen.

De rechtbank had eerder het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld en een betalingsverplichting opgelegd, met hoofdelijke aansprakelijkheid en een gijzelingstermijn van 1080 dagen. Betrokkene stelde primair niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie op grond van artikel 74 AWR Pro en subsidiair dat het vermogen legaal was.

Het hof verwierp het primaire verweer omdat artikel 74 AWR Pro geen belemmering vormt voor ontneming van vervolgprofijt dat samenhangt met strafbare belastingfeiten. Uit het bewijs blijkt dat betrokkene en medeverdachte als ultimate beneficial owners het wederrechtelijk verkregen voordeel geheel toerekenbaar is.

Het hof stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 5.157.336,-, gebaseerd op ontdoken vennootschapsbelasting en het rendement van financieringen tegen 9% rente. De hoofdelijke betalingsverplichting werd bevestigd en de maximale gijzelingstermijn van 1080 dagen vastgesteld. De ontnemingsvorderingen tegen de vennootschappen zelf werden afgewezen.

De uitspraak bevestigt de mogelijkheid tot ontneming van vervolgprofijt uit belastingfraude en witwassen, ook bij complexe internationale constructies en benadrukt de hoofdelijke aansprakelijkheid van de ultimate beneficial owners.

Uitkomst: Het hof legt een ontnemingsmaatregel van € 5.157.336,- op met hoofdelijke betalingsverplichting en maximale gijzelingstermijn van 1080 dagen.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002006-23 (OWV)
Uitspraak : 16 april 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 4 juli 2023 op de vordering tot oplegging van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-997520-16 OWV tegen:

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1956,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
doch wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van
€ 12.781.826,-en aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor een bedrag van
€ 9.883.573,50. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de betrokkene en medeveroordeelde(n) voor een deel, te weten voor een geldbedrag ter grootte van
€ 6.985.321,-hoofdelijk aansprakelijk zijn voor deze betalingsverplichting en dat ten aanzien van dit deel de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel komt te vervallen indien en voor zover (de) mededader(s) van betrokkene heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat. De vordering is voor het overige afgewezen.
Daarnaast heeft de rechtbank de duur van de gijzeling – die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd – vastgesteld op 1080 dagen.
De betrokkene heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 8 oktober 2024, 6 november 2025, 11 november 2025, 20 november 2025, 15 januari 2026, 5 maart 2026 en 16 april 2026 en het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaten-generaal (hierna gezamenlijk: de advocaat-generaal) hebben gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De betrokkene heeft primair bepleit dat het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de ontnemingsvordering. Subsidiair stelt de betrokkene dat niet tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden over gegaan, aangezien het gehele vermogen een legale herkomst heeft. Meer subsidiair stelt de betrokkene dat bij een eventuele betalingsverplichting in matigende zin rekening gehouden dient te worden met de overgrote legale component die van de uitgeleende geldbedragen deel heeft uitgemaakt.
Vonnis waarvan beroep
Het hof zal het beroepen vonnis vernietigen en opnieuw rechtdoen omdat het zich daarmee niet kan verenigen.
De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De betrokkene heeft primair de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit op grond van artikel 74 van Pro de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (hierna: AWR). Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de betrokkene daarmee miskent dat de vordering van het Openbaar Ministerie niet (enkel) ziet op de ontneming van voordeel dat direct is verkregen uit het plegen van belastingfeiten, bestaande uit het behaalde belastingvoordeel. Artikel 74 AWR Pro vormt geen belemmering voor de oplegging van een ontnemingsmaatregel als het gaat om wederrechtelijk verkregen voordeel dat op een andere wijze samenhangt met het begaan van een bij de belastingwet strafbaar gesteld feit. Het kan dan onder meer gaan om het voordeel dat is behaald als gevolg van het gebruik van een aan de belastingheffing onttrokken vermogensbestanddeel. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als witwasgedragingen worden verricht met betrekking tot een aan de belastingheffing onttrokken vermogensbestanddeel en die gedragingen tot een vermogensvermeerdering hebben geleid. [1] Nu juist die vermogensvermeerdering (in ieder geval deels) de grondslag vormt voor het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene, wordt het (primaire) verweer tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie verworpen.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op dit verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkorte arrest gehecht.
Grondslag van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeling
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 16 april 2026 onder parketnummer 20-003056-21, veroordeeld ter zake van – kort weergegeven – :
  • Feitelijk leidinggeven aan medeplegen van witwassen, gepleegd door [verdachte rechtspersoon 1] , in de periode vanaf 1 juli 2007 tot en met 29 september 2011, in Nederland en in Hong Kong (feit 1);
  • Feitelijk leidinggeven aan witwassen, gepleegd door [verdachte rechtspersoon 2] , in of omstreeks de periode vanaf 24 oktober 2014 tot en met 26 mei 2017 in Nederland en in Hong Kong (feit 2);
  • Feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift, gepleegd door [verdachte rechtspersoon 2] , in de periode vanaf de maand juli 2007 tot en met de maand november 2008 in Hong Kong en te Taipei (Taiwan) en in Nederland en Duitsland (feit 3);
  • Feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk onjuist en/of onvolledig aangiften vennootschapsbelasting doen, gepleegd door [verdachte rechtspersoon 3] , in de periode van 9 december 2011 tot en met 29 november 2016 in Nederland (feit 5).
De wettelijke grondslag
Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de betrokkene een voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht heeft verkregen.
Het hof stelt vast dat aan de voorwaarden voor toepasselijkheid van voormeld artikellid is voldaan, nu de betrokkene is veroordeeld is voor feitelijk leiding geven aan (medeplegen van) witwassen, begaan door een rechtspersoon (feiten 1 en 2) en aannemelijk is dat de betrokkene voordeel heeft gekregen uit de baten van deze feiten en soortgelijke strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan.
Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het hof gaat voor wat betreft de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de navolgende uitgangspunten. [2]
De betrokkene (hierna: [betrokkene] ) is samen met medebetrokkene [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) veroordeeld voor het feitelijk leiding geven aan door [verdachte rechtspersoon 3] (hierna: [verdachte rechtspersoon 3] ) gepleegde belastingfraude over de jaren 2010 tot en met 2013 en 2015. Deze belastingfraude bestond eruit dat vennootschapsbelasting in Nederland is ontdoken door (handels-)winsten te verschuiven van [verdachte rechtspersoon 3] , gevestigd in Nederland, naar [bedrijf 1] , gevestigd in Hong Kong .
Uit het strafrechtelijk onderzoek is naar voren gekomen dat zeker vanaf het jaar 1998 sprake is van onzakelijke transacties tussen [verdachte rechtspersoon 3] (opgericht in 1989) en [bedrijf 1] (opgericht in 1994) waarbij [verdachte rechtspersoon 3] steeds een te lage winst heeft aangegeven in de aangiften vennootschapsbelasting doordat handelswinsten zijn verschoven naar [bedrijf 1] , gevestigd in Hong Kong .
Het totaalbedrag van de vanaf 1998 tot en met 2015 door [verdachte rechtspersoon 3] niet aangegeven winsten bedraagt volgens de Belastingdienst € 15.857.279. Het daarmee samenhangende bedrag aan vennootschapsbelasting is € 4.729.793. [3]
[betrokkene] en [medeverdachte] zijn ook veroordeeld voor – onder meer – feitelijk leiding geven aan witwassen van aan de belastingheffing onttrokken gelden door [verdachte rechtspersoon 1] (hierna: [verdachte rechtspersoon 1] ) in de periode juli 2007 tot en met september 2011 en door [verdachte rechtspersoon 2] (hierna: [verdachte rechtspersoon 2] ) in de periode oktober 2014 tot en met mei 2017.
Het bewezenverklaarde witwassen heeft betrekking op:
  • een lening van € 6.150.000,- die [verdachte rechtspersoon 2] via [verdachte rechtspersoon 1] heeft verstrekt aan [bedrijf 2] (hierna [bedrijf 2] ) in de periode 2007 tot en met 2011 (rentepercentage 9%);
  • een lening van USD 13.500.000 die [verdachte rechtspersoon 2] via [verdachte rechtspersoon 1] heeft verstrekt aan [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ) in de periode 2007 tot en met 2011 (rentepercentage 9%);
  • een lening van € 4.500.000,- die [verdachte rechtspersoon 2] heeft verstrekt ten behoeve van het verlenen van financiering aan [bedrijf 4] in de periode 2014 tot en met 2017 (rentepercentage 10%).
[verdachte rechtspersoon 2] is op 16 april 1997 in Hong Kong opgericht. [5] In eerste instantie bestonden de activiteiten van deze vennootschap voornamelijk uit de exploitatie van onroerend goed. Later werden via [verdachte rechtspersoon 2] voornamelijk financieringen verstrekt. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat [verdachte rechtspersoon 2] in de jaren 2007 en 2008 voor een bedrag van ruim € 26 miljoen heeft uitgeleend aan derden.
[medeverdachte] heeft verklaard dat [verdachte rechtspersoon 2] zelf geen geld heeft en dat het geld dat [verdachte rechtspersoon 2] uitleent van hem en [betrokkene] afkomstig is. [6] [betrokkene] verklaart dat het geld in [verdachte rechtspersoon 2] afkomstig is van haarzelf. [7]
Het hof heeft vastgesteld dat de door [verdachte rechtspersoon 3] ontdoken belasting via [betrokkene] en [medeverdachte] in direct verband staat met het vermogen van [verdachte rechtspersoon 2] . [medeverdachte] heeft namelijk verklaard dat alle ontvangsten van de handel van [bedrijf 1] binnenkwamen op de gezamenlijke bankrekening en dat dit het gezamenlijk vermogen van [betrokkene] en [medeverdachte] was. [8] Zowel [betrokkene] als [medeverdachte] ontvingen bedragen op die bankrekening, [9] maar zij hebben nooit een splitsing gemaakt van de inkomende en uitgaande bedragen. Zoals [betrokkene] het verwoordde: “Iedereen neemt wat hij nodig heeft”. [10] Doordat [verdachte rechtspersoon 3] in de jaren 1998 tot en met 2015 een bedrag van ruim € 4,7 miljoen vennootschapsbelasting heeft ontdoken hebben [betrokkene] en [medeverdachte] dit geld kunnen gebruiken voor investeringen, waaronder het (via [verdachte rechtspersoon 1] en [verdachte rechtspersoon 2] ) verstrekken van financieringen tegen rentepercentages variërend van 8% tot 10%. Het vermogen van [betrokkene] en [medeverdachte] is mede hierdoor uitgegroeid tot een bedrag van € 46 miljoen in 2017.
Zoals hiervoor onder “De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie” overwogen, kan voordeel dat is behaald als gevolg van het gebruik van een aan de belastingheffing onttrokken vermogensbestanddeel als vervolgprofijt worden ontnomen. [11]
De aan de vennootschapsbelastingheffing onttrokken gelden zijn zoals hiervoor overwogen, gebruikt om via [verdachte rechtspersoon 2] en [verdachte rechtspersoon 1] financieringen te verstrekken en hebben dus kunnen renderen met als gevolg dat het totaal opgebouwde vermogen van € 46 miljoen in 2017 deels bestond uit rendement (vervolgprofijt) van de aan de vennootschapsbelastingheffing onttrokken gelden. Dit vervolgprofijt kan naar het oordeel van het hof als wederrechtelijk verkregen voordeel worden aangemerkt.
De financieringen aan [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] zijn verstrekt tegen rentepercentages van respectievelijk 9% en 10%. Het hof gaat voor de berekening van de omvang van het vervolgprofijt daarom (in het voordeel van [betrokkene] en [medeverdachte] ) uit van een rentepercentage van 9%.
Het hof komt gelet op het bovenstaande tot het oordeel dat het geschatte door [betrokkene] en [medeverdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht als volgt moet worden berekend.
Jaartal
Ontdoken Vpb in € [12]
Vervolgprofijt in 2017 bij een rentepercentage van 9% in €
1998
263.679,-
0,09 x 263.679 x 19 jaar =
450.891,-
1999
479.916,-
0,09 x 479.916 x 18 jaar =
777.463,-
2000
131.989,-
0,09 x 131.989 x 17 jaar =
201.943,-
2001
437.073,-
0,09 x 437.073 x 16 jaar =
629.385,-
2002
527.629,-
0,09 x 527.629 x 15 jaar =
712.299,-
2003
541.991,-
0,09 x 541.991 x 14 jaar =
682.908,-
2004
273.642,-
0,09 x 273.642 x 13 jaar =
320.161,-
2005
231.105,-
0,09 x 231.105 x 12 jaar =
249.593,-
2006
235.486,-
0,09 x 235.486 x 11 jaar =
233.131,-
2007
188.175,-
0,09 x 188.175 x 10 jaar =
169.357,-
2008
57.767,-
0,09 x 57.767 x 9 jaar =
46.791,-
2009
82.534,-
0,09 x 82.534 x 8 jaar =
59.424,-
2010
184.893,-
0,09 x 184.893 x 7 jaar =
116.482,-
2011
388.898,-
0,09 x 388.898 x 6 jaar =
210.004,-
2012
570.234,-
0,09 x 570.234 x 5 jaar =
256.605,-
2013
67.267,-
0,09 x 67.267 x 4 jaar =
24.216,-
2014
50.383,-
0,09 x 50.383 x 3 jaar =
13.603,-
2015
17.114,-
0,09 x 17.114 x 2 jaar =
3.080,-
Totaal geschat wederrechtelijk verkregen voordeel
5.157.336
[medeverdachte] en [betrokkene] waren ten tijde van het sluiten van voornoemde financieringen de ultimate beneficial owners van [verdachte rechtspersoon 2] en [verdachte rechtspersoon 1] . Zij waren degenen die de gang van zaken bij die vennootschappen bepaalden. Het hof rekent het wederrechtelijk verkregen voordeel dan ook geheel aan [betrokkene] en [medeverdachte] toe en zal hierom de ontnemingsvorderingen ten aanzien van de betrokken vennootschappen [verdachte rechtspersoon 1] , [verdachte rechtspersoon 2] en [verdachte rechtspersoon 4] afwijzen.
Resumé
Gelet op het vorenstaande zal het hof het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vaststellen op een bedrag van € 5.157.336,-.
Op te leggen betalingsverplichting
Het hof zal aan de betrokkene de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Hoofdelijke aansprakelijkheid
Nu [betrokkene] en [medeverdachte] gezamenlijk de ultimate beneficial owners waren van het totale opgebouwde vermogen van € 46 miljoen en dus ook van het gedeelte van het vermogen dat bestaat uit wederrechtelijk verkregen voordeel, zal het hof bepalen dat [betrokkene] en [medeverdachte] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gezamenlijke betalingsverplichting.
Redelijke termijn
Bij de strafvervolging van betrokkene is de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, geschonden, zoals het hof in de strafzaak heeft vastgesteld. Het hof heeft evenwel in de strafzaak met deze schending rekening gehouden bij de oplegging van de straf en volstaat om die reden in de ontnemingszaak met de enkele constatering dat de redelijke termijn is geschonden.
Gijzeling
Met ingang van 1 januari 2020 heeft het nieuwe elfde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kracht van wet gekregen. Het hof zal daarom bij het opleggen van de ontnemingsmaatregel tevens de duur van de gijzeling bepalen die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering in de onderhavige zaak ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt.
Het hof hanteert, overeenkomstig de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde uitgangspunten, bij de berekening van de duur van deze gijzeling voor elke volle € 100,00 van de betalingsverplichting één dag. De maximale duur van de gijzeling bedraagt ingevolge artikel 36e, elfde lid, van het Wetboek van Strafrecht drie jaren.
Gelet op de hoogte van de op te leggen betalingsverplichting zal het hof mitsdien de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd hierna bepalen op de maximale duur te weten 1080 dagen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens geldt.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 5.157.336,- (vijf miljoen honderdzevenenvijftigduizend driehonderdzesendertig euro);
legt de betrokkene de hoofdelijke verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 5.157.336,- (vijf miljoen honderdzevenenvijftigduizend driehonderdzesendertig euro);
bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen;
bepaalt dat de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel komt te vervallen indien en voor zover de mededader(s) van betrokkene hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat.
Dit arrest is gewezen door:
mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,
mr. C.A. van Roosmalen en mr. A.M.F. Geerling, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.S. van Middelkoop, griffier,
en op 16 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. Geerling en mr. Van Middelkoop zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Hoge Raad 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1703.
2.Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier onderzoek Rockwood van combiteam (FIOD/Politie, Landelijke Eenheid, dienst Landelijke Recherche. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven..
3.PV1611, pg. 20575 en D1622, pg. 35841.
4.PV388, pg. SFO30013-30038.
5.PV843 pg. 20261 en 20265.
6.V1354, pg. 10516 en 10517.
7.V1207, pg. 10139 en de verklaring van [betrokkene] ter terechtzittingen van de rechtbank op 9 en 10 november 2021.
8.V1303, pg. 10504.
9.V1276, pg. 10177 en 10178 en V1303, pg. 10504.
10.V1362, pg. 10248.
11.Hoge Raad 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1703.
12.D1622, pg. 35841.