De zaak betreft een hoger beroep van de man tegen een beschikking waarbij het mentorschap over zijn echtgenote werd ingesteld na opheffing van haar ondercuratelestelling. De echtgenote was geestelijk beperkt en verbleef op een psychogeriatrische afdeling. De kantonrechter had het mentorschap ingesteld en de man als curator ontslagen.
De man betwistte deze beslissing en vorderde vernietiging van de beschikking, onder meer met het oog op een financieel belang en mogelijke klachtenprocedure tegen de stichting die de zorg verleende. Tijdens de procedure overleed de echtgenote, waardoor het mentorschap van rechtswege eindigde.
Het hof oordeelde dat het overlijden het mentorschap beëindigde en dat de man onvoldoende concreet belang had bij het voortzetten van het hoger beroep. Zijn stellingen over financieel belang en klachtenprocedure waren niet toereikend om ontvankelijkheid te rechtvaardigen. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en compenseerde de proceskosten.
De uitspraak bevestigt dat het belang bij een procedure na beëindiging van het mentorschap door overlijden concreet en onderbouwd moet zijn om ontvankelijk te zijn. Een rechtmatigheidsoordeel over de beschikking is onvoldoende als het geen directe gevolgen heeft voor de betrokkene.