ECLI:NL:GHSHE:2025:3798

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
20-000704-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 248a SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor misleiding minderjarige tot ontuchtige handelingen

De verdachte werd door de rechtbank veroordeeld voor het door misleiding bewegen van een minderjarige tot ontuchtige handelingen, waarbij hij zich voordeed als een vijftienjarig meisje op Marktplaats en het slachtoffer, een twaalfjarig meisje, onder druk zette om seksuele foto's te sturen.

In hoger beroep bevestigt het hof de bewezenverklaring en kwalificatie van het feit, maar wijzigt de straf. Het hof houdt rekening met psychische stoornissen van de verdachte die zijn toerekeningsvatbaarheid verminderen, maar acht volledige voorwaardelijke straf niet passend vanwege recidive en ernst van het feit.

De straf bestaat uit 270 dagen gevangenisstraf, waarvan 249 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en bijzondere voorwaarden, waaronder behandeling en digitale beperkingen. Het hof legt ook 21 dagen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op om de ernst te benadrukken en toekomstige recidive te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 270 dagen gevangenisstraf waarvan 249 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van drie jaar.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Parketnummer : 20-000704-24
Uitspraak : 10 december 2025
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de Rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 29 februari 2024 in de strafzaak met parketnummer 03-109226-23 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van de aan hem onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten en de verdachte ter zake van het aan hem onder 1 tenlastegelegde feit, dat door de rechtbank is gekwalificeerd als: “door misleiding een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen” (artikel 248a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), zoals dat gold ten tijde van het tenlastegelegde), veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De verdachte is door rechtbank vrijgesproken van de aan hem onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het namens hem ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven beslissingen tot vrijspraak.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met aanvulling van de bewijsmiddelen door toevoeging van de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, verbetering van de kwalificatie en met uitzondering van de opgelegde straf. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof, in zoverre opnieuw rechtdoende, het onder 1 bewezenverklaarde feit als volgt zal kwalificeren: “door misleiding een persoon waarvan hij weet dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen” en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 181 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van de door de reclassering in haar advies van 29 september 2025 geadviseerde bijzondere voorwaarden alsmede tot een taakstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis en een gedragsbeïnvloedende maatregel ex artikel 38z Sr.
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het vonnis waarvan beroep, zoals gevorderd door de advocaat-generaal, kan worden bevestigd met aanvulling van gronden en met uitzondering van de kwalificatie en de opgelegde straf. Voorts heeft de raadsvrouw een straftoemetingsverweer gevoerd, dat hierna onder “Op te leggen straf” verder is uitgewerkt.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf. Voorts ziet het hof aanleiding om de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen aan te vullen en de in het vonnis waarvan beroep opgenomen motivering van de strafbaarheid van de verdachte te vervangen, een en ander op na te melden wijze.
De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat de door de rechtbank gehanteerde kwalificatie van het onder 1 bewezenverklaarde feit onjuist is. Het hof stelt vast dat door de rechtbank is bewezenverklaard dat de verdachte het feit in de periode van 22 oktober 2021 tot en met 25 oktober 2021 heeft gepleegd. In die periode luidde artikel 248a Sr als volgt:
“Hij die door giften of beloften van geld of goed, misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt of iemand die zich, al dan niet met een technisch hulpmiddel, waaronder een virtuele creatie van een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, voordoet als een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk beweegt ontuchtige handelingen te plegen of zodanige handelingen van hem te dulden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.”
De door de rechtbank gehanteerde kwalificatie sluit aan bij deze wettekst – alsmede bij de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof verenigt zich dan ook met die kwalificatie.
Ten overvloede merkt het hof op dat de door de advocaat-generaal voorgestelde kwalificatie aansluit bij de tekst van artikel 248a Sr, zoals dat gold in de periode van 1 januari 2005 tot 1 maart 2019 – dus vóór het bewezenverklaarde. De hiervoor weergegeven wettekst heeft gegolden van 1 maart 2019 tot 1 juli 2024, waarna artikel 248a Sr is komen te vervallen.
Aanvulling van de bewijsmiddelen
Het hof vult de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen aan met het volgende bewijsmiddel:
-
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 18 november 2024, voor zover inhoudende als de verklaring van de verdachte [verdachte] :
Ik heb me op Marktplaats voorgedaan als ene ‘ [naam] ’ en op die manier heb ik contact gelegd met een persoon waarvan ik de naam niet meer weet. Ik wist wel dat ze jonger was. Ze was op zoek naar een verzorgpony. U, voorzitter, houdt mij de chats voor vanaf pagina 20 van het procesdossier. Dat zijn inderdaad de berichten die ik heb verstuurd.
Ik heb wel foto’s naar [slachtoffer] gestuurd. Dit waren foto’s die ik van het internet had gehaald. Het ging inderdaad om foto’s van borsten en vagina’s. Ik stuurde die foto’s in de hoop dat ik foto’s terug zou krijgen van [slachtoffer] . Vervolgens heb ik ook foto’s van haar ontvangen. Ik heb ook vervolgvragen gesteld, bijvoorbeeld of ze wat meer wilde laten zien.
Het klopt dat ik bijna 400 contacten heb gehad via advertenties op Marktplaats. Het was voor mij bijna een dagtaak. Ik denk dat de kick hem wel zit in de minderjarigheid van de meisjes.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is in het kader van de onderhavige strafzaak onderzocht door psychiater [psychiater] en klinisch psycholoog [psycholoog] Naar aanleiding van dit onderzoek hebben beiden een rapport opgesteld.
Het rapport van psychiater [psychiater] d.d. 26 mei 2025 vermeldt onder meer, zakelijk weergegeven, het volgende:
Bij betrokkene is sprake van een persoonlijkheidsstoornis met vermijdende trekken en een ongespecificeerde parafiele stoornis. Beide stoornissen waren ten tijde van het tenlastegelegde actueel en hebben de gedragskeuzes en gedragingen van betrokkene ten tijde van het tenlastegelegde beïnvloed. Geadviseerd wordt om betrokkene het tenlastegelegde, indien bewezen, in verminderde mate toe te rekenen.
Het rapport van klinisch psycholoog [psycholoog] d.d. 27 mei 2025 vermeldt onder meer, zakelijk weergegeven, het volgende:
Bij betrokkene is sprake van het bestaan van een ongespecificeerde parafiele stoornis en van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met vermijdende trekken. Deze psychopathie was ten tijde van het tenlastegelegde aanwezig en heeft de gedragskeuzes en gedragingen van betrokkene ten tijde van het tenlastegelegde beïnvloed. Geadviseerd wordt om betrokkene het tenlastegelegde bij bewezenverklaring in verminderde mate toe te rekenen.
Het hof verenigt zich met de hiervoor weergegeven, gelijkluidende conclusies van psychiater [psychiater] en klinisch psycholoog [psycholoog] en maakt deze conclusies tot de zijne. Omdat de verdachte ten tijde van het onder 1 bewezenverklaarde leed aan deze stoornissen van de geestesvermogens en deze stoornissen van invloed zijn geweest op zijn gedrag ten tijde van het feit, zal het hof het bewezenverklaarde aan de verdachte in verminderde mate toerekenen.
Nu de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde niet volledig ontoerekeningsvatbaar was, is hij strafbaar voor het onder 1 bewezenverklaarde. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte in het geheel uitsluiten.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het online door misleiding bewegen van een op dat moment twaalfjarig meisje tot het plegen van ontuchtige handelingen. Dit deed de verdachte door zich op Marktplaats voor te doen als een vijftienjarig meisje en contact te zoeken met het slachtoffer, dat aangaf dertien jaar oud te zijn en op zoek te zijn naar een verzorgpony. In eerste instantie ging het chatgesprek tussen de verdachte en het slachtoffer over paarden, waarbij de verdachte aangaf in het bezit te zijn van twee paarden. Op deze manier heeft de verdachte getracht het vertrouwen van het slachtoffer te winnen. Op enig moment heeft de verdachte het chatgesprek een seksuele wending gegeven, door het slachtoffer onder meer te vragen wat haar bh-maat was en of zij wel eens aan haar vagina zat, waarna de verdachte het slachtoffer op subtiele, doch geraffineerde wijze onder druk heeft gezet om hem foto’s van haar borsten en haar vagina toe te sturen, waartoe hij bleef aandringen. Daarmee heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer op ernstige wijze aangetast. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij op deze manier heeft gehandeld.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 6 oktober 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte door de Rechtbank Rotterdam op 13 maart 2018 onherroepelijk veroordeeld is ter zake van zedendelicten, omschreven in de artikelen 240b, eerste lid, (oud) Sr en artikel 248a (oud) Sr, tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden waaronder de verplichting tot ambulante behandeling alsmede tot een taakstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis. De ambulante behandeling die de verdachte bij voormeld vonnis van de Rechtbank Rotterdam is opgelegd, is door een fout zijdens justitie niet van de grond gekomen, waarbij dient te worden aangetekend dat de verdachte van zijn kant geen/weinig actie heeft ondernomen om deze behandeling alsnog te kunnen ondergaan.
Slechts tweeënhalve maand na het aflopen van de proeftijd van de hiervoor genoemde deels voorwaardelijke veroordeling heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het bewezenverklaarde in de onderhavige zaak. De voorwaardelijke veroordeling in 2018 heeft de verdachte er klaarblijkelijk niet van weerhouden opnieuw een soortgelijk strafbaar feit te plegen. Het hof neemt dit de verdachte kwalijk.
Op grond van het hiervoor genoemde uittreksel uit de Justitiële Documentatie stelt het hof vast dat de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het in deze zaak bewezenverklaarde feit, ter zake van een soortgelijk misdrijf is veroordeeld tot onder meer een taakstraf. Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof gebleken dat de verdachte deze taakstraf volledig heeft verricht. Gelet hierop, stelt het hof vast dat het taakstrafverbod ex artikel 22b Sr van toepassing is, hetgeen betekent dat aan de verdachte in deze zaak niet louter een taakstraf kan worden opgelegd. Het hof merkt op dat ten tijde van het bewezenverklaarde artikel 248a Sr één van de bepalingen was die in artikel 22b, eerste lid onder b, Sr expliciet was genoemd, zodat het taakstrafverbod ook op dat moment van toepassing zou zijn geweest. Een taakstraf komt het hof, gelet op het voorgaande, ook niet passend voor, temeer omdat de veroordeling door de Rechtbank Rotterdam van 13 maart 2018 eenzelfde feit, gepleegd op 25 juli 2016, betreft.
Zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder “De strafbaarheid van de verdachte” is overwogen, zijn omtrent de verdachte twee Pro Justitia rapportages (psychiatrisch en psychologisch) opgemaakt, door psychiater [psychiater] en door klinisch psycholoog [psycholoog]
Psychiater [psychiater] heeft over het recidiverisico het volgende gerapporteerd: “Wanneer de klinische, gestructureerde risicotaxatie en de beschermende factoren worden gecombineerd wordt ook uitgekomen op matig-laag recidiverisico op feiten zoals het tenlastegelegde die met name actueel wordt bij spanningen in de relatie en/of op het werk.” Psycholoog [psycholoog] sluit zich hierbij aan: “Samenvattend kan in het geval van betrokkene op basis van het scoren van de bovenstaande drie instrumenten worden gesproken over een matig/laag recidiverisico op het in de toekomst opnieuw vervallen in een zedendelict.”
Psychiater [psychiater] merkt op dat de persoonlijkheidsproblematiek en parafiele stoornis van de verdachte belangrijke risicofactoren zijn om in herhaling te vallen. “Vanuit zijn persoonlijkheidsproblematiek heeft hij namelijk moeite met het aangaan en behouden van duurzame relaties waardoor relatieproblemen op de loer liggen. Ontstaan er conflicten dan kan hij deze, vanuit zijn persoonlijkheidsproblematiek, niet hanteren en gaat die uit de weg waarbij spanningen oplopen. Daarbij valt hij dan terug op seksuele coping en zijn parafiele stoornis. Op dat moment wordt hij niet weerhouden door de gevolgen voor de slachtoffers, hier staat hij dan niet bij stil. Het ligt in de verwachting, wanneer de problematiek niet behandeld wordt, dat er op termijn een nieuwe relatiecrisis ontstaat waarbij het recidiverisico weer actueel wordt. Betrokkene heeft op dit moment een LAT-relatie. Wat hij over deze relatie vertelt past bij zijn vermijdende patroon. Hij deelt met haar niet de dingen waar hij echt mee zit; zij is niet op de hoogte van de tenlastegelegde feiten en de spanningen die hij daaromtrent ervaart. Daarmee staat deze relatie op drijfzand. (…) Relatieproblemen en daarmee recidiverisico liggen daarmee ook op de loer. (…) Betrokkene is erg geschrokken van de veroordeling in eerste aanleg en geeft nu aan niet meer terug te willen vallen en gemotiveerd te zijn voor behandeling. Ook zegt hij nu open te staan voor het betrekken van zijn partner, onder begeleiding van de hulpverlening. Eerder heeft hij ook aangegeven gemotiveerd te zijn voor behandeling, met name op momenten van schrik: na een STOP-gesprek met de politie of veroordeling. Echter, wanneer deze dreiging op de achtergrond verdwijnt, heeft tot nu toe zijn neiging tot vermijden en onderduiken de overhand genomen, waardoor de behandeling uiteindelijk niet van de grond kwam. Toezicht lijkt daarbij noodzakelijk voor succes van een behandeling. (…). Om te voorkomen dat betrokkene wederom “onderduikt” vanuit zijn sterk vermijdende coping wanneer de schrik is gezakt, is een stok achter de deur noodzakelijk. Na het vorige, gelijkaardige, delict is de forensisch psychiatrische behandeling ingekaderd als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf. Echter, reclasseringstoezicht werd niet uitgevoerd waardoor dit niet als stok achter de deur kon fungeren en betrokkene onttrok zich uiteindelijk aan de behandeling. Toen hij jaren later terugviel in delict gedrag zocht hij ook geen contact met de hulpverlening. Dit onderstreept de noodzaak voor een langdurige stok achter de deur. Het advies is om betrokkene wederom een behandeling als bijzondere voorwaarde op te leggen bij een (deels) voorwaardelijke straf. Dit is in feite nog niet eerder geprobeerd omdat het toezicht de vorige keer is misgelopen. Betrokkene toont zich tijdens het onderzoek gevoelig voor de strafrechtelijke gevolgen van zijn gedrag en is gemotiveerd om detentie te voorkomen. Ook laat hij tijdens het onderzoek zien zich aan ambulante afspraken te kunnen houden. De verwachting is dat de behandeling in dit kader, met toezicht, het (bij aanvang matig-laag) recidiverisico voldoende verder kan verminderen.”
Psycholoog [psycholoog] komt tot ditzelfde oordeel: “Betrokkene onttrok zich eerder aan een opgelegde meldplicht bij de Reclassering en een opgelegde behandeling bij [psychiatrisch ziekenhuis 2] . Indien er thans opnieuw geen behandeling van met name de parafiele stoornis van betrokkene plaats zou vinden [voor de inhoud daarvan: zie onder] dan is het recidiverisico naar de mening van betrokkene in het geval van betrokkene en onder voor hem opnieuw negatieve omstandigheden onveranderd matig/laag. Zorgprognose en beïnvloedingsmogelijkheden In 2018 werd een psychotherapeutische behandeling van betrokkene door de toenmalige NIFP rapporteur wegens het begaan van een soortgelijk delict als het onderhavige tenlastegelegde geadviseerd en later door de Rechtbank ook opgelegd. Betrokkene onttrok zich na de intakefase echter van dit behandelcontact en kon ten tijde van het onderhavige onderzoek geen steekhoudende argumentatie dienaangaande verstrekken. Ook kwam hij in 2018 een meldplicht bij de Reclassering niet na en een administratieve fout bij de Reclassering zorgde ervoor dat dit niet werd opgemerkt. Op geleide van de diagnostische conclusies in de onderhavige psychologische rapportage is de noodzaak voor een psychotherapeutische behandeling anno 2025 onverkort aanwezig. Het in dit onderzoek vastgestelde matig/lage recidiverisico onderstreept deze noodzaak naar de mening van ondergetekende. De parafiele stoornis [in de vorm van een nog altijd aanwezige pedofiele stoornis van het niet-exclusieve type, seksueel aantrokken door meisjes] geeft daar naar de mening van ondergetekende aanleiding toe en de gediagnosticeerde vermijdende trekken binnen diens persoonlijkheid onderstrepen die noodzaak eens te meer. Binnen de ambulante behandeling verdient het opstellen van een daderscenario primair aandacht. Betrokkene dient daarnaast naar de mening van ondergetekende in aanraking te worden gebracht met de negatieve gevolgen van zijn handelen voor de door hem gedurende de afgelopen jaren gemaakte slachtoffers. Tevens dient te worden stilgestaan bij het in de toekomst kunnen aanwenden van adequate, niet-vermijdende en niet- geseksualiseerde copingstrategieën. Een behandeling zoals hier bedoeld dient naar de mening van ondergetekende te worden uitgevoerd in een Forensisch Psychiatrische Polikliniek [zoals [psychiatrisch ziekenhuis 1] ] en kan naar de mening van ondergetekende op individuele basis plaats vinden, al verdient indien mogelijk een groepstherapeutische behandeling in het geval van betrokkene de voorkeur. Overigens beleed betrokkene tegenover ondergetekende gemotiveerd voor een dergelijke behandelvorm te zijn, al waren hierbij overwegingen van proces-positionele aard hem hierbij vermoedelijk niet vreemd. Het bovenstaande overziende adviseert ondergetekende uw Gerechtshof om betrokkene wederom [net zoals in 2018] om bij bewezenverklaring van het tenlastegelegde het juridische kader van een bijzondere voorwaarde bij een [deels] voorwaardelijke straf op te leggen.”
Het hof heeft met deze adviezen bij de beslissing over de aan de verdachte op te leggen straf rekening gehouden.
Naast voornoemde rapportages Pro Justitia is omtrent de verdachte een reclasseringsadvies opgesteld. In dit advies d.d. 29 september 2025 adviseert de reclassering het hof om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld een vijftal bijzondere voorwaarden, waaronder, kortgezegd, een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, en het vermijden van digitale omgevingen waarin seksueel kindermisbruik is te zien. Ook met dit advies heeft het hof rekening gehouden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 181 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van de door de reclassering in haar advies d.d. 29 september 2025 geadviseerde bijzondere voorwaarden alsmede tot een taakstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis en een gedragsbeïnvloedende maatregel ex artikel 38z Sr. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal naar voren gebracht dat het zwaartepunt van de straf in haar ogen moet liggen bij de behandeling van de verdachte aan zijn stoornis(sen), teneinde het recidivegevaar zoveel mogelijk in te perken.
De raadsvrouw van de verdachte heeft het hof, om dezelfde reden, verzocht om aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen in combinatie met bijzondere voorwaarden. Subsidiair heeft de raadsvrouw het hof verzocht om, gelet op het taakstrafverbod, aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 180 dagen waarvan 179 dagen voorwaardelijk in combinatie met bijzondere voorwaarden.
Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw van de verdachte is het hof van oordeel dat de verdachte dient te worden behandeld aan zijn stoornis(sen), teneinde het recidivegevaar zoveel mogelijk in te perken, en dat een dergelijke behandeling in de opgelegde straf dient te worden verdisconteerd. Desalniettemin acht het hof, gelet op de ernst van het feit en het recidiverende gedrag van de verdachte, oplegging van een volledig voorwaardelijke straf niet op zijn plaats. Het hof komt tot een straf van 270 dagen gevangenisstraf waarvan 249 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Aan het voorwaardelijke deel van deze straf zal het hof de bijzondere voorwaarden verbinden die de beide deskundigen en de reclassering hebben geadviseerd. De verdachte is namelijk al vanaf 2015 met politie en justitie in aanraking gekomen, waarbij stopgesprekken en zelfs een veroordeling de verdachte niet hebben kunnen doen ophouden. De verdachte heeft een vermijdende copingstijl en heeft deze eerder ook laten zien ten opzichte van de hem eerder opgelegde behandeling. Het hof wil met een drietal weken onvoorwaardelijke gevangenisstraf tot uitdrukking brengen dat het nu ernst is, en de verdachte aan den lijve laten ervaren wat een herhaling van dit gedrag en/of het niet serieus ondergaan van de hem op te leggen bijzondere voorwaarden zal opleveren: een veel langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De verdachte zal ter bescherming van kwetsbare minderjarige meisjes zijn problemen onder ogen moeten gaan zien.
Vanzelfsprekend heeft het hof bij het bepalen van de strafmodaliteit en -maat rekening gehouden met zijn oordeel dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde verminderd toerekeningsvatbaar was.
Alles afwegende, acht het hof dan ook passend en geboden om aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen waarvan 249 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Voorts zal het hof de reclassering volgen in haar advies d.d. 29 september 2025 en het merendeel van de geadviseerde bijzondere voorwaarden overnemen. Met oplegging van deze deels voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Bovendien kan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 21 dagen ten uitvoer worden gelegd met behoud van het werk van de verdachte.
Anders dan door de advocaat-generaal is gevorderd, zal het hof niet overgaan tot oplegging van een gedragsbeïnvloedende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr. Voor oplegging van een dergelijke maatregel is immers vereist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf, of een gevangenisstraf waarvan een gedeelte niet zal worden ten uitvoer gelegd, wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Het hof is van oordeel dat aan deze eis niet is voldaan, gelet op het feit dat de verdachte het bewezenverklaarde feit online en “hands-off” heeft gepleegd zodat geen sprake is van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (vgl. HR 15-03-2022, ECLI:NL:HR:2022:338).
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 248a van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
270 (tweehonderdzeventig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
249 (tweehonderdnegenenveertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van
3 (drie) jarenten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- De verdachte zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland meldt, ofwel via telefoonnummer [telefoonnummer] , ofwel op het adres [adres 2] . De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
- De verdachte zich laat behandelen door poli Ambulant Behandelen van de [psychiatrisch ziekenhuis 1] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo spoedig mogelijk. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook vallen het innemen van medicijnen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
- De verdachte gedurende de gehele proeftijd:
1. Digitale omgevingen waarin hij in aanraking kan komen met kinderpornografisch materiaal vermijdt.
2. Digitale omgevingen waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd, vermijdt.
3. Geen gebruik maakt van virtuele machines, versleutelprogramma’s (zoals Bitlocker, Veracrypt) of applicaties die helpen de identiteit te verbergen (zoals een VPN), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor dergelijk gebruik (zoals voor werk of voor bankzaken).
4. Inzicht geeft in de wijze waarop hij de omgevingen genoemd onder 1. en 2. zal vermijden en bespreekt hoe dit verlopen is voor het verstreken deel van de proeftijd.
Het toezicht op de naleving van de onderdelen 1. tot en met 3. beperkt zich tot geautomatiseerde controles van digitale apparaten (zoals computers, smart devices, USB-sticks, SD-kaarten, externe harde schijven) waarop bestanden kunnen worden opgeslagen en/of waarmee internet kan worden benaderd en die betrokkene in gebruik heeft.
De verdachte werkt mee aan deze controles tijdens (on)aangekondigde huisbezoeken en verschaft toegang tot alle aanwezige digitale apparaten die hij in gebruik heeft. Hieronder wordt begrepen het verstrekken van wachtwoorden, codes of andere wijzen van ontgrendeling of ontsluiting zoals vingerafdrukken, die nodig zijn voor toegang. Op verzoek past de verdachte de instellingen zodanig aan dat controle mogelijk is. De wijzigingen mogen niet leiden tot definitieve wijzigingen aan het apparaat en worden aan het einde van de controle weer teruggezet.
De controles worden uitgevoerd door de reclassering. Indien en voor zover noodzakelijk mag de reclassering voor ondersteuning op technisch en digitaal gebied een specialist, niet zijnde een opsporingsambtenaar meenemen.
De controles mogen gedurende de gehele proeftijd maximaal (circa) drie keer per aantal jaren proeftijd worden uitgevoerd, waarbij de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. De controles strekken er in het bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de verdachte.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,
mr. C.M. Hilverda en mr. R. Lonterman, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies, griffier,
en op 10 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.