Uitspraak
5.Het verloop van de procedure
- de tussenbeschikking;
- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 9 april 2025;
- het proces-verbaal van voortzetting getuigenverhoor van 11 april 2025;
- de memorie na getuigenverhoor van [de werknemer] met producties 29 en 30;
- de akte van depot van [de werknemer] van 24 juni 2025, waarbij als productie 30een USB-stick wordt gedeponeerd;
- de brief van de gemeente van 1 juli 2025 houdende bezwaar tegen het in het geding brengen van producties 29 en 30;
- de brief van [de werknemer] van 2 juli 2025 houdende een reactie op het bezwaar van de gemeente;
- de beslissing op het bezwaar van de raadsheer-commissaris van 9 juli 2025, waarbij de raadsheer-commissaris productie 29 heeft toegestaan en productie 30 heeft geweigerd;
- de memorie na getuigenverhoor van de gemeente van 16 juli 2025, zoals hersteld bij brief van 17 juli 2025.
6.De verdere beoordeling
In augustus/september 2022 heb ik bij mijn direct leidinggevende [direct leidinggevende] een melding gedaan van een misstand of woorden van gelijke strekking. Dat deed ik omdat een bedrag van 100.000 euro of in ieder geval een vrij groot bedrag werd betaald aan een stichting. Bij mij als budgetbewaker was die stichting totaal onbekend. Normaal is dat er een rechtmatigheidsformulier wordt opgemaakt maar dat was er allemaal niet. Ik heb tegen [direct leidinggevende] gezegd: “Wat is dit? Dit kan niet.” Dat ging zo dat ik bij [direct leidinggevende] binnenliep. De kantoren lagen naast elkaar, het was een kamer verderop. [direct leidinggevende] zei mij: “Dat is niet ons pakkie an. Stel maar niet te veel vragen.”
Ik heb mij op het getuigenverhoor voorbereid door in gedachten nog eens het hele tijdspad na te lopen: Wanneer gebeurde wat en wanneer is dat geweest. Ik heb niet met een van de partijen of advocaten gesproken.
Ik heb mij op dit getuigenverhoor voorbereid door de zaak in gedachten nog eens na te lopen. Ik heb allang geen contact meer gehad met [de werknemer] . Ik ben niet op de hoogte van het verloop van de procedure, alleen dat er nu een hoger beroep is. Ik werd verrast door de brief van de advocaat of ik als getuige wilde optreden. Ik heb geen contact met de advocaten gehad, anders dan dat ik gister even heb gebeld om te vragen waar ik kon parkeren.
Ik heb mij op dit getuigenverhoor voorbereid door het hele dossier nog eens door te nemen. Ik ben er pas na de verkiezingen bij betrokken geraakt. Ik heb ook ambtenaren, onder wie [betrokkene 1 / ambtenaar] , gevraagd dingen te verhelderen die voor mij niet duidelijk waren. Ik heb niet met een van de advocaten gesproken.
Als voorbereiding op het getuigenverhoor heb ik mijn eigen gedachten nagelopen en ook heb ik in mijn agenda nagekeken. Ook heb ik met een van de andere getuigen, mw. [getuige 8 / beleidsmedewerkster] , bij de koffieautomaat even gepraat. Dat ik zou hebben overlegd is al teveel gezegd. Ook heb ik, toen ik de oproep kreeg, dhr. [betrokkene 1 / ambtenaar] gevraagd wat ik kon verwachten.
Ik heb mij helemaal niet voorbereid op dit getuigenverhoor. Ik heb in de oproep gelezen waar het over ging. Ik ben helemaal niet betrokken geweest bij dit dossier. Dus ik ben vooral benieuwd.
Ik wist niet zo goed waar ik mij op moest voorbereiden. Dat heb ik dus ook eigenlijk niet gedaan.
Ik heb mij op dit getuigenverhoor voorbereid door in mijn hoofd nog eens af te spelen hoe het gegaan is. Ik heb niet speciaal met mensen gesproken anders dan dat ik gehoord heb dat ook anderen opgeroepen waren. Mijn werkgever heeft mij gezegd dat ik er gewoon heen moest gaan en mijn eigen verhaal moest vertellen. En ik ben nagegaan op welke momenten ik contact heb gehad met [de werknemer] .
oudvan toepassing. Zijn verklaring, als partijgetuige, kan op grond van lid 2 van die bepaling geen bewijs in zijn voordeel opleveren, tenzij die strekt tot aanvulling van onvolledig bewijs.
In augustus/september 2022 heb ik bij mijn direct leidinggevende [direct leidinggevende] een melding gedaan van een misstand of woorden van gelijke strekking. (…) Met woorden van gelijke strekking bedoel ik: “niet in de haak, corrupt, en het kan niet wat hier gebeurt.”
Ja maar nu weet ik waar je het over hebt.” Dat [de werknemer] eerder bij [direct leidinggevende] en/of [directeur] het vermoeden van een misstand als bedoeld in de Wbk met betrekking tot Stichting [stichting] heeft gemeld blijkt daaruit niet. [direct leidinggevende] en [directeur] hadden daarover mogelijk een verklaring kunnen afleggen, maar [de werknemer] , op wie de bewijslast rust, heeft hen niet als getuige voorgebracht. Het hof voegt daar ten overvloede aan toe dat het gesprek van 11 januari 2024 plaatsvond nadat [de werknemer] , op 5 januari 2024, al was geschorst. Het vermoeden van artikel 17eb Wbk (zie rov. 3.6.4.2. van de tussenbeschikking) kan dus geen betrekking hebben op de schorsing voor zover [de werknemer] de melding op 11 januari 2024 zou hebben gedaan. Dat de melding, als [de werknemer] die op 11 januari 2024 zou hebben gedaan, wel een rol zou hebben gespeeld bij het starten van de ontbindingsprocedure tegen [de werknemer] is, mede in het licht van hoe het hof de getuigenverklaringen waardeert (zie rov. 6.14.), niet althans onvoldoende onderbouwd gesteld door [de werknemer] en het hof verwerpt die stelling dan ook.
Vervolgens sluimerde het door. Er werden maandelijks grote bedragen betaald. Op een gegeven moment ben ik zelf in het zaakssysteem gaan graven om te zien wat ik erover kon terugvinden. Ik stuitte op een email, die de demissionaire wethouder op zijn laatste dag had ondertekend. Dat is vreemd. Omstreeks november 2022 heb ik wethouder [wethouder sociale zaken] op de hoogte gebracht.”
Los van de wekelijkse rwo’s (regulier wethouders overleg) heb ik bij twee gelegenheden met [de werknemer] over de kwestie gesproken.
dat project met stichting [stichting]”:
[de werknemer] heeft mij verteld dat hij hogerop is gegaan, uiteindelijk naar de directeur. (…) Ik herinner mij dat op een gegeven moment een aantal mensen bij elkaar is gekomen. Ik herinner mij dat omdat [de werknemer] mij dat heeft verteld. Volgens mij was daar ook de wethouder en de sectordirecteur bij, zeg maar het hele gremium wat daar zeggenschap over had. [de werknemer] heeft mij verteld dat hij daar heeft gezegd dat er naar zijn mening sprake was van een misstand omdat er onder de betalingen geen besluit lag. De wethouder heeft toen volgens [de werknemer] aangegeven dat het problemen zou kunnen opleveren als het in de openbaarheid zou komen.”
Het enige wat ik erover kan verklaren is dat [de werknemer] mij heeft verteld over het feit dat hij intern kenbaar heeft gemaakt dat er sprake zou kunnen zijn van misstanden. (…) Het verhaal van [de werknemer] was dat hij intern meldingen had gedaan dat er zaken niet helemaal liepen zoals zou moeten, maar dat er met die meldingen te weinig of niets werd gedaan. De meldingen gingen erover dat er volgens [de werknemer] met het geld niet gebeurde waar het voor bedoeld was en het dus te weinig rendement had. Het ging over [traject/therapie] . Als je intern constateert dat er zoiets aan de hand is mag je daar intern iets van zeggen, mits het onderbouwd is. Ik vind dat niet meer dan normaal.”
dat er zaken niet helemaal liepen zoals zou moeten” en “
dat er volgens [de werknemer] met het geld niet gebeurde waar het voor bedoeld was en het dus te weinig rendement had”. Dat is niet de melding van een (vermoeden van een) misstand als bedoeld in de Wbk. Dat [getuige 3] op grond daarvan zelf tegen [de werknemer] heeft gezegd dat die dan “
eigenlijk een klokkenluider” was, maakt dat niet anders.
Ja, ik heb er met wethouder [wethouder sociale zaken] over gesproken. Ik vind dat als iemand vanwege zijn werk zoiets aankaart, dat hij er dan niet de dupe van mag worden. [wethouder sociale zaken] antwoordde: “Dat klopt, maar ik kan er nu niets over zeggen omdat ik ook onderdeel ben van dat geheel.”
In de wekelijkse rwo’s is [traject/therapie] geregeld onderwerp van gesprek geweest. [de werknemer] was daar als controller bij betrokken en daar zijn best onderwerpen besproken.
Misschien is het goed om toe te voegen dat ik na het gesprek van november 2022 in december met [directeur] naar [traject/therapie] ben gegaan. Daar hebben we besproken dat zaken moesten verbeteren. Daarna is het benaderen van mensen op een andere wijze gegaan. Ook hebben we afgesproken dat in februari een evaluatie van de eerste periode zou plaatsvinden.
Een melding van een misstand is mij niet bekend. [de werknemer] en ik zaten samen in dit project. Wij hebben daarover een aantal keren gesproken om problemen die zich voordeden op te lossen. Overigens samen met vele anderen.
Dhr. [de werknemer] heeft zeker kritische vragen gesteld, zoals ook anderen dat gedaan hebben.
social mediahad aangekondigd advocaat te worden. Ook al heeft hij dat meegedeeld en ook al wist de gemeente dat, dan ligt daarin niet besloten dat zij moest begrijpen dat [de werknemer] , naast een dienstverband bij de gemeente voor 36 uur per week, als advocaat-stagiaire de verplichting had om minimaal 24 uur per week een advocatenpraktijk te voeren op het kantoor van zijn patroon. Dat is, zoals ter zitting bij het hof besproken en door [de werknemer] niet betwist, een eis van de Orde van Advocaten.
daarmeehad ingestemd.
Mochten zich in de toekomst wijzigingen voordoen in de nevenwerkzaamheden dient u dit terstond te melden bij uw directeur.” [de werknemer] heeft die toestemming niet gevraagd.
- Griffierechten € 798,00
- Salaris advocaat € 3.642,00 (3 punten x tarief II)
- Nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
- Getuigentaxen
social mediaen uit een reclame-uiting met mr. [patroon 1] als sponsor van een voetbalclub kan niet worden afgeleid dat [de werknemer] de gemeente niet bewust niet heeft geïnformeerd over de aard en omvang van zijn nevenwerkzaamheden. Logischerwijs heeft hij in die uitingen niet vermeld dat hij voor 32 uur ene praktijk zou voeren en dat hij maandelijks naar [plaats 3] moest voor opleidingsdagen en ook niet dat hij verbonden zou worden aan een kantoor dat met enige regelmaat procedeert tegen de gemeente. Het doelbewust verzwijgen van de aard, inhoud en omvang van [de werknemer] ’s nevenwerkzaamheden volgt uit het feit dat hij niet in zijn agenda heeft vermeld dat hij tweewekelijks afwezig was voor de beroepsopleiding en uit het feit dat hij de omvang en aard van zijn nevenwerkzaamheden heeft gebagatelliseerd. Ook heeft [de werknemer] te kennen gegeven dat hij zich, toen zijn naam op de gevel van [bedrijf 2 / advocatenkantoor] hing, heeft afgevraagd of dat wel ‘handig’ was, waaruit de gemeente afleidt dat [de werknemer] bewust een en ander onder de pet hield, althans dat hij in ieder geval op de hoogte was van het gegeven dat het aanzien van de gemeente kon worden geschaad. Uit het feit dat de Orde van Advocaten in het handelen van [de werknemer] aanleiding heeft gezien om een ‘toezichtdossier’ te starten leidt de gemeente af dat [de werknemer] ook richting de Orde onjuiste en misleidende informatie heeft verstrekt. Als er al sprake zou zijn van een ‘misverstand’, is dat geheel aan [de werknemer] te wijten. Eventuele argeloosheid van [de werknemer] is net zo ernstig verwijtbaar – [de werknemer] had gelet op zijn positie van ambtenaar beter kunnen en moeten weten. Het had op zijn weg gelegen om gemotiveerd en onderbouwd toestemming te vragen – hetgeen hij niet heeft gedaan en waarvan hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
social mediabekend gemaakt tot advocaat te zullen worden beëdigd, welk bericht breed “geliked” werd door collega’s en daarom al breed bekend was bij de gemeente. Ook met [direct leidinggevende] communiceerde hij er open en bloot over. Die wist, zoals hij heeft erkend, dat [de werknemer] verbonden was aan het kantoor van mr. [patroon 1] – als zijn patroon. Ook mr. [patroon 1] procedeerde tegen de gemeente. Mogelijk speelde, zoals de kantonrechter overwoog, een zekere “argeloosheid” op dit vlak aan de zijde van [de werknemer] , al gaat die kwalificatie te zeer voorbij aan wat allemaal wél bekend was bij de leiding.
- Salaris advocaat € 1.214,00 (2 punten x tarief II x 0,5)
- Nakosten