De rechtbank had de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige verlengd en geoordeeld dat het perspectief van de minderjarige niet bij de ouders ligt. De ouders gingen hiertegen in hoger beroep, waarbij zij stelden dat zij wel in staat zijn om de zorg op zich te nemen en dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar een ouder-kind traject.
Het hof ontving de ouders in hoger beroep en beoordeelde het perspectiefbesluit. Uit de stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat de ouders cognitieve beperkingen en een belaste voorgeschiedenis hebben, met een WLZ indicatie categorie 4. Uit eerdere onderzoeken en trajecten blijkt dat zij onvoldoende opvoedvaardigheden bezitten en dat intensieve begeleiding noodzakelijk is, die niet beschikbaar is binnen de huidige zorgstructuren.
De minderjarige verblijft sinds zijn geboorte in een pleeggezin en is daar goed gehecht. De ouders hebben een moeder-kind traject afgewezen en ambulante begeleiding wordt door het hof onvoldoende geacht. Het hof acht het in het belang van de minderjarige dat duidelijkheid wordt geschapen over zijn perspectief en dat hij verder opgroeit in het pleeggezin. De bestreden beschikking wordt daarom bekrachtigd.