Deze zaak betreft het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant waarbij een rechtspersoon werd vrijgesproken van het eerste tenlastegelegde feit en veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift en het opzettelijk en wederrechtelijk aanwenden van middelen voor andere doeleinden dan waarvoor zij waren verstrekt.
Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk voor het deel gericht tegen de vrijspraak, bevestigde de bewezenverklaring en kwalificatie van de feiten en stelde de straf vast op een voorwaardelijke geldboete van €20.000 met een proeftijd van 1 jaar. De straf is lager dan de rechtbank oplegde proeftijd van 3 jaar, mede op grond van procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte.
De feiten betreffen het vervalsen van facturen om in aanmerking te komen voor een gunstigere subsidieregeling (VIV-regeling) terwijl het bedrijf feitelijk werd beëindigd, en het misbruik van overheidsgelden voor andere doeleinden dan waarvoor deze waren verstrekt. Het hof nam mee het tijdsverloop, het blanco strafblad, de terugbetaling van de subsidies en de gevolgen voor de verdachte en haar vertegenwoordiger.
Het vonnis weerspiegelt een zorgvuldige afweging van de ernst van de feiten en de omstandigheden, waarbij het hof het belang van een snelle en efficiënte afdoening benadrukte. De opgelegde straf dient zowel als sanctie als preventieve maatregel.
Het arrest werd op 20 juni 2025 uitgesproken door het gerechtshof 's-Hertogenbosch.