Art. 280 lid 1 BGBArt. 538 BGBArt. 6:119 BWArt. 3 lid 3 Rome IArt. 9 lid 2 Rome I
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vordering herstelkosten en achterstallige huur bij beëindiging huurovereenkomst onder Duits recht
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft in hoger beroep geoordeeld over een geschil tussen verhuurder en huurder van een pand met kamers, verhuurd aan een fastfoodrestaurant voor huisvesting van werknemers. Na eerdere tussenarresten werd vastgesteld dat Duits recht van toepassing is op de huurovereenkomst.
De huurder werd veroordeeld tot betaling van achterstallige huurpenningen over de periode van 1 juni 2017 tot en met 15 oktober 2017, een bedrag van € 9.900,-- vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast is de huurder veroordeeld tot betaling van herstelkosten van het gehuurde pand ter hoogte van € 21.716,79, eveneens vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding.
Het hof oordeelde dat het gehuurde bij aanvang in goede staat was en dat de huurder het pand in aanzienlijk slechtere staat had achtergelaten, waardoor omvangrijke herstelwerkzaamheden noodzakelijk waren. Een deel van de kosten werd in mindering gebracht omdat deze betrekking hadden op normale slijtage. De vorderingen werden deels toegewezen, terwijl het meer of anders gevorderde werd afgewezen.
De proceskosten werden aan de zijde van de huurder begroot en de huurder werd veroordeeld tot betaling van deze kosten. Het arrest werd uitgesproken op 10 juni 2025 door de rolraadsheer namens het hof.
Uitkomst: De huurder is veroordeeld tot betaling van € 9.900 aan achterstallige huur en € 21.716,79 aan herstelkosten, beide vermeerderd met wettelijke rente.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.281.956/02
arrest van 10 juni 2025
in de zaak van
[appellant],
[woonplaats],
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. R.A. Wijnands te Schinnen,
tegen
[geïntimeerde],
[woonplaats],
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde],
advocaat: mr. A.M. Roepel te Rotterdam,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 17 mei 2022 en 18 juli 2023 in het hoger beroep van de door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer 7055830 CV EXPL 18-4132 gewezen vonnissen van 10 april 2019 en 13 mei 2020.
8.Het vervolg van de procedure in hoger beroep
Het vervolg van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
het onder zaaknummer 200.281.965/01 gewezen tussenarrest van 18 juli 2023;
de door [appellant] genomen akte na tussenarrest met één productie;
de door [geïntimeerde] genomen (antwoord)akte na tussenarrest;
het ambtshalve royement van de zaak (zaaknummer 200.281.956/01) op 24 oktober 2023, omdat partijen niet overeenkomstig artikel 5.2 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven de (aanvullende) procesdossiers hebben overgelegd;
de rol-/archiefkaart in zaak 200.281.965/02, waaruit blijkt dat [appellant] de zaak op 8 april 2025 weer heeft geïntroduceerd, waarna [appellant] op 22 april 2025 het procesdossier heeft overgelegd.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
9.De verdere beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep
Het tussenarrest van 18 juli 2023
9.1.
In het tussenarrest van 18 juli 2023 heeft het hof, samengevat, als volgt geoordeeld.
[appellant] is geslaagd in het bewijs dat Vermeeren de beide versies van de huurovereenkomst heeft ondertekend en van een stempel van [geïntimeerde] heeft voorzien. Dit breng mee dat [appellant] ook is geslaagd in het bewijs dat partijen de toepasselijkheid van Duits recht zijn overeengekomen (rov. 6.3.14). Het hof verwerpt daarom grief 1 in incidenteel hoger beroep (rov. 6.4.1). Het voorgaande brengt mee dat op het geschil tussen partijen over de opzegging van de huurovereenkomst en over de oplevering van het gehuurde aan het eind van de huurperiode, in beginsel Duits recht van toepassing is (rov. 6.4.2.).
Het beroep van [geïntimeerde] op de artikelen 3 lid 3, artikel 9 lid 2 enProartikel 11 lid 3 vanPro de Verordening (EG) Nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I) leidt niet tot een ander oordeel over het toepasselijk recht. Het hof verwerpt daarom de grieven 2, 3 en 4 in incidenteel hoger beroep (rov. 6.6.1 tot en met 6.8.5).
Vordering I ter zake achterstallige huurpenningen over de periode van 1 juni 2017 tot en met 15 oktober 2017 is toewijsbaar tot een bedrag van (4,5 maal € 2.200,-- is) € 9.900,--. Grief 5 in incidenteel hoger beroep heeft dus ten dele doel getroffen (rov. 6.9.1 tot en met 6.9.6).
Nadat ook is vastgesteld welk bedrag [geïntimeerde] als schadevergoeding voor de aan het gehuurde toegebrachte schade aan [appellant] verschuldigd is, zal het hof het bedrag van de betaalde waarborgsom van € 5.400,-- op de vordering van [appellant] in mindering brengen. Ook in zoverre heeft grief 5 in incidenteel hoger beroep doel getroffen (rov. 6.9.7 en 6.9.8).
Het beroep van [geïntimeerde] op verjaring van de door [appellant] ingestelde vordering II, strekkende tot veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een schadevergoeding van € 31.116,79 wegens de kosten van herstel van tijdens de huurperiode door werknemers van [geïntimeerde] aan het gehuurde toegebrachte schade, is in het tussenarrest van 17 mei 2022 verworpen. De grief in principaal hoger beroep heeft dus doel getroffen, zodat het hof nader moet oordelen over vordering II (rov. 6.10.1 tot en met 6.11.1).
Vordering II strekt tot betaling van een schadevergoeding van € 31.116,79, en niet tot betaling van € 32.116,79, welk bedrag genoemd is op de factuur van [bedrijfsnaam] van [datum] (rov. 6.11.2).
Op vordering II is Duits recht van toepassing (rov. 6.12.1 tot en met 6.12.3).
[appellant] is erin geslaagd om te bewijzen dat het gehuurde zich bij de aanvang van de huurovereenkomst in goede staat bevond (rov. 6.13.1 tot en met 6.13.7).
De verdere beoordeling van vordering II: Was er bij het einde van de huur sprake van schade aan het gehuurde en heeft [appellant] in verband daarmee de door hem gestelde herstelkosten moeten maken?
9.2.1.
Het hof komt nu toe aan de vraag in hoeverre bij het einde van de huur sprake was van schade aan het gehuurde en aan de vraag in hoeverre [appellant] in verband daarmee de door hem gestelde herstelkosten heeft moeten maken. In verband met die vraag heeft het hof [appellant] bij het tussenarrest van 18 juli 2023 in de gelegenheid gesteld gemotiveerd mee te
delen of hij de factuur van [bedrijfsnaam] van [datum] ten bedrage van € 32.116,79 heeft voldaan en om, als hij de factuur heeft voldaan, daarvan een bewijsstuk (een bankafschrift) in het geding te brengen.
9.2.2.
[appellant] heeft vervolgens bij de door hem genomen akte een bankafschrift van de Aachener Bank overgelegd. Volgens dat bankafschrift is vanaf de bankrekening van [appellant] op 3 september 2017 een bedrag van € 32.116,79 euro overgeboekt naar de bankrekening van [bedrijfsnaam] onder vermelding van het factuurnummer “[factuurnummer]”.
9.2.3.
[geïntimeerde] heeft er in haar antwoordakte op gewezen dat de overboeking volgens het bankafschrift heeft plaatsgevonden op 3 september 2017, terwijl de door [appellant] overgelegde factuur van [bedrijfsnaam] dateert van [datum], dus van 20 dagen ná de betaling. Volgens [geïntimeerde] is daarom niet uit te sluiten dat de betaling ziet op andere werkzaamheden die [bedrijfsnaam] elders heeft verricht en waarvoor eerder een factuur is opgemaakt. [geïntimeerde] stelt dat om deze reden het bankafschrift niet bewijst dat de factuur van [bedrijfsnaam] van [datum] daadwerkelijk is betaald en evenmin dat de gestelde werkzaamheden daadwerkelijk zijn uitgevoerd.
9.2.4.
Het hof verwerpt dit verweer van [geïntimeerde]. Het hof acht daarbij doorslaggevend dat bij de overboeking het factuurnummer is vermeld dat ook op de factuur van [bedrijfsnaam] van [datum] staat, te weten [factuurnummer], en dat de overboeking exact hetzelfde bedrag beloopt als het bedrag van die factuur. Hiermee is naar het oordeel van het hof voldoende aangetoond dat met de overboeking is betaald voor de werkzaamheden die op de factuur van [datum] zijn opgesomd. Mogelijk is deze factuur al op een eerdere datum dan op de factuur staat aan [appellant] verstrekt, is er eerst een concept van de factuur verstrekt of is het factuurbedrag al voldaan naar aanleiding van een eerdere opgave van het te betalen bedrag. De factuur van [datum] vermeldt in ieder geval geen verzoek tot betaling of een betalingstermijn, wat er op duidt dat de betaling al had plaatsgevonden. Het hof oordeelt de betrouwbaarheid van de factuur en van het bewijs van overboeking voldoende.
9.3.1.
Tegen de achtergrond van het oordeel dat de bij de factuur van [bedrijfsnaam] van [datum] gefactureerde werkzaamheden door [appellant] betaald zijn, zal het hof nu verder oordelen over de vordering van [appellant] .
9.3.2.
[appellant] heeft gesteld dat [geïntimeerde] het gehuurde zeer verwaarloosd, vervuild en beschadigd heeft achtergelaten. In de punten 5 tot en met 12 van de inleidende dagvaarding heeft [appellant] de diverse schades nader omschreven. Die schades hebben betrekking op, kort gezegd:
de kamers op de begane grond;
de badkamer op de begane grond;
de binnenplaats en de hal;
het appartement op de tweede verdieping;
het trappenhuis van de tweede verdieping;
de kamers op de zolderverdieping.
9.3.3.
Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft [appellant] als productie 3 bij de inleidende dagvaarding 29 bladzijdes met elk twee foto’s overgelegd. In het door [appellant] aan het hof overgelegde procesdossier betreft dit zwartwitkopieën van de betreffende foto’s. Bij zijn memorie na getuigenverhoor heeft [appellant] betere exemplaren van de betreffende foto’s (scherper en in kleur) overgelegd. [geïntimeerde] heeft in haar antwoordmemorie na getuigenverhoor gesteld dat deze foto’s buiten beschouwing moeten blijven omdat [appellant] ze al veel eerder in het geding had kunnen brengen. Het hof verwerpt dat betoog. Omdat het hof in het tussenarrest van 17 mei 2022 het door [geïntimeerde] gedane beroep op verjaring van vordering II had verworpen, diende nader over vordering II geoordeeld te worden. Het stond [appellant] vervolgens vrij om de onderbouwing van die vordering te verbeteren door betere exemplaren van de al eerder door hem (in kopie) overgelegde foto’s in het geding te brengen. [geïntimeerde] heeft daar desgewenst in haar antwoordmemorie na getuigenverhoor op kunnen reageren.
9.3.4.
Daarnaast heeft [appellant] de hiervoor in rov. 9.2.1 al genoemde factuur van [bedrijfsnaam] van [datum] overgelegd. Deze factuur betreft het gehuurde en bevat (in de Nederlandse vertaling) als onderwerpsaanduiding:
“Object [Straatnaam]
Herstel van de uitgewoonde en beschadigde ruimtes”
Op de factuur staat voorts de volgende specificatie:
Bij de factuur is voorts een uitgebreide specificatie in 101 deelposten gevoegd. Die deelposten zijn als volgt verdeeld over de zes ruimtes die op de factuur zijn genoemd:
1. Woning BG achterzijde deelposten 1 tot en met 24
2. Hal/binnenplaats deelposten 25 tot en met 27
3. Woning BG voorzijde deelposten 28 tot en met 53
4. Trappenhuis deelposten 54 tot en met 57
5. Kamer tweede verdieping deelposten 58 tot en met 77
6. Woning zolderverdieping deelposten 78 tot en met 101
9.3.6.
Het hof stelt bij verdere beoordeling van de vordering het volgende voorop.
Het hof heeft in het tussenarrest van 18 juli 2023 al geoordeeld dat op deze vordering Duits recht van toepassing is.
Volgens artikel 280 lid 1 vanPro het Duitse Burgerlijk Wetboek (Bürgerliches Gesetzbuch, hierna: BGB) kan de schuldeiser, als een schuldenaar een plicht uit een op hem rustende verbintenis niet nakomt, vergoeding van de hieruit voortvloeiende schade verlangen. [appellant] heeft zich op deze bepaling beroepen in de bijlage bij zijn akte van 3 juli 2019, en [geïntimeerde] heeft niet betwist dat die bepaling op huurverhoudingen zoals de onderhavige van toepassing is.
Wel heeft [geïntimeerde] erop gewezen dat de verhuurder moet aantonen dat hij het huurobject bij aanvang van de huur onbeschadigd aan de huurder ter beschikking heeft gesteld en dat de schade tijdens de huurperiode is ontstaan door tekortschieten van de huurder. Ook heeft
[geïntimeerde] erop gewezen dat volgens artikel 538 vanPro het BGB de huurder niet aansprakelijk is voor veranderingen of verslechteringen in het gehuurde die een gevolg zijn van normaal overeengekomen gebruik van het gehuurde.
9.3.7.
[geïntimeerde] heeft tegen de vordering ter zake deze herstelkosten meerdere verweren gevoerd. Het hof zal die verweren in het onderstaande behandelen tegen de achtergrond van het zojuist geschetste wettelijk kader.
9.4.1.
[geïntimeerde] heeft als verweer aangevoerd dat het huis met de gehuurde woonruimtes al bij aanvang van de huur in slechte staat verkeerde. Volgens [geïntimeerde] had het gehuurde toen veel gebreken en bevatte het gehuurde schimmels. Het hof verwerpt dit verweer omdat het hof in rov. 6.13.1 tot en met 6.13.7 van het tussenarrest van 18 juli 2023 heeft geoordeeld dat [appellant] erin is geslaagd om te bewijzen dat het gehuurde zich bij de aanvang van de huurovereenkomst in goede staat bevond.
9.4.2.
[geïntimeerde] heeft verder betwist dat zij grote hoeveelheden afval in het gehuurde heeft achtergelaten. Het hof acht die betwisting onvoldoende onderbouwd tegenover de door [appellant] overgelegde foto’s en tegenover onder meer de deelposten 1, 2, 25, 28, 29, 58, 59, 78 en 79 op de specificatie. [geïntimeerde] heeft ook niet aangevoerd dat de kosten die [bedrijfsnaam] voor de betreffende verwijderingswerkzaamheden in rekening heeft gebracht, onredelijk hoog of om andere reden niet aanvaardbaar zijn.
9.4.3.
[geïntimeerde] heeft verder aangevoerd dat [appellant] door [bedrijfsnaam] in feite een volledige renovatie heeft laten uitvoeren en de kosten daarvan ten onrechte op [geïntimeerde] probeert te verhalen. Het hof stelt bij de beoordeling van dit verweer voorop dat [geïntimeerde] in feite niet heeft betwist dat zij het gehuurde in zeer slechte staat heeft achtergelaten. Ze heeft alleen aangevoerd dat het gehuurde ook bij aanvang van de huur al in zeer slechte staat verkeerde, maar het hof heeft dat verweer in het tussenarrest van 18 juli 2023 al verworpen omdat het hof bewezen heeft geacht dat het gehuurde zich bij de aanvang van de huurovereenkomst in goede staat bevond. Daarom staat in dit geding als onvoldoende betwist vast dat het gehuurde door [geïntimeerde] in aanzienlijk slechtere staat is opgeleverd aan het einde van de huur, dan de staat waarin het gehuurde bij aanvang van de huur aan [geïntimeerde] ter beschikking is gesteld.
9.4.4.
Het hof constateert verder dat [geïntimeerde] wel in beknopte bewoordingen heeft aangevoerd dat bepaalde zaken ten onrechte in rekening zijn gebracht door [bedrijfsnaam], althans ten onrechte aan haar worden doorbelast door [appellant] , maar [geïntimeerde] heeft daarbij niet de nummers van de betreffende deelposten genoemd en evenmin gesteld wat daarvan dan de cijfermatige gevolgen zijn. Het hof acht het bij deze stand van zaken niet zijn taak om zelf in de 101 deelposten te gaan zoeken naar deelposten waar [geïntimeerde] mogelijk op heeft gedoeld. In zoverre heeft [geïntimeerde] haar stellingen onvoldoende concreet gemaakt.
9.4.5.
Het hof verwerpt verder het verweer van [geïntimeerde] dat [appellant] door [bedrijfsnaam] in feite een volledige renovatie heeft laten uitvoeren en de kosten daarvan ten onrechte op [geïntimeerde] probeert te verhalen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat uit de verklaringen van de beide gehoorde getuigen blijkt dat de kamers in het betreffende pand speciaal met het oog op de huurovereenkomst tussen partijen in het pand zijn gerealiseerd, en dus bij aanvang van de huur in nieuwstaat waren. Daarom valt niet
in te zien dat [appellant] aan het eind van de huur, als [geïntimeerde] het gehuurde in acceptabele staat zou hebben opgeleverd, een “volledige renovatie” zou hebben moeten uitvoeren. Vanwege de slechte staat waarin [geïntimeerde] het gehuurde aan het einde van de huur heeft achtergelaten, heeft [appellant] wel omvangrijke werkzaamheden moeten laten verrichten. Dit acht het hof voldoende aangetoond met de onvoldoende bestreden stellingen van [appellant] uit de punten 4 tot en met 14 van de inleidende dagvaarding, de door [appellant] overgelegde foto’s en de gespecificeerde factuur van [bedrijfsnaam].
9.4.6.
In het verweer van [geïntimeerde] ligt ook de stelling besloten dat [appellant] door [bedrijfsnaam] in elk geval ten dele werkzaamheden heeft laten uitvoeren die dienden ter wegneming van de gevolgen van normaal gebruik en normale veroudering van het gehuurde tijdens de huurperiode, en dat dergelijke werkzaamheden niet aan [geïntimeerde] mogen worden doorbelast. Dit verweer slaagt ten dele. [appellant] heeft niet gemotiveerd betwist dat een deel van de door [bedrijfsnaam] uitgevoerde werkzaamheden betrekking heeft op het wegnemen van de gevolgen van normaal gebruik en normale veroudering van het gehuurde tijdens de huurperiode, en evenmin dat hij ook bepaalde werkzaamheden door [bedrijfsnaam] zou hebben laten uitvoeren om het gehuurde opnieuw netjes en verhuurklaar te maken, als [geïntimeerde] het gehuurde met niet meer dan aanvaardbare gebruikssporen zou hebben opgeleverd. Daarom is een deel van de door [appellant] gemaakte kosten niet aan [geïntimeerde] toe te rekenen.
9.4.7.
Partijen hebben hun stellingen hierover slechts in algemene bewoordingen ingenomen en niet concreet gemaakt. Het hof zal daarom schattenderwijs aannemen dat [appellant] [bedrijfsnaam] tot een bedrag van € 4.000,-- aan werkzaamheden zou hebben laten verrichten als [geïntimeerde] het gehuurde in acceptabele staat zou hebben opgeleverd. Het hof heeft bij de schatting van dit bedrag in aanmerking genomen dat het gehuurde een aanzienlijke omvang heeft, te weten een appartement op de tweede verdieping links, drie slaapkamers op de zolderverdieping een gedeelde keuken en een gedeelde badkamer, zes kamers en twee badkamers en een gedeelde keuken op de begane grond, en dat ook werkzaamheden zijn verricht aan bijvoorbeeld het trappenhuis van het pand. Verder heeft het hof bij deze schatting acht geslagen op de tarieven die [bedrijfsnaam] in de specificatie bij haar factuur voor bepaalde werkzaamheden – zoals bij voorbeeld schilderwerkzaamheden – heeft gehanteerd. Het hof heeft voorts in aanmerking genomen dat, als [geïntimeerde] het gehuurde in acceptabele staat zou hebben opgeleverd, de werkzaamheden van [bedrijfsnaam] veel beperkter hadden kunnen blijven dan nu noodzakelijk is gebleken.
9.4.8.
Het zojuist genoemde bedrag van € 4.000,-- zal het hof op de door [appellant] gestelde vordering van € 31.116,79 (zie rov. 6.11.2 van het tussenarrest van 18 juli 2023) in mindering brengen, omdat aangenomen moet worden dat dit bedrag ook bij een correcte oplevering voor rekening van [appellant] zou zijn gekomen. Dit brengt mee dat aan herstelkosten in beginsel een bedrag van € 27.116,79 toewijsbaar is. [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd dat toewijzing van een hoger bedrag gerechtvaardigd is en [geïntimeerde] heeft – tegenover de concrete omschrijving van de schades in de inleidende dagvaarding – onvoldoende onderbouwd dat met toewijzing van een lager bedrag moet worden volstaan. Het hof tekent hier ook bij aan dat [geïntimeerde] niet op concrete gemotiveerde wijze heeft gesteld dat de door [bedrijfsnaam] bij de 101 deelposten gehanteerde tarieven onredelijk hoog zijn.
9.4.9.
Op het in beginsel toewijsbare bedrag van € 27.116,79 moet vervolgens nog de hiervoor in rov. 9.1, vierde gedachtestreepje, genoemde waarborgsom van € 5.400,-- in mindering worden gebracht. Per saldo is vordering II dus tot een bedrag van € 21.716,79 toewijsbaar.
9.4.10.
Over deze als schadevergoeding toewijsbare hoofdsom vordert [appellant] de wettelijke rente “vanaf de dag der sommatie danwel vanaf de dag van de dagvaarding”. Omdat [appellant] hierbij niet duidelijk heeft gesteld op welke sommatie hij doelt, zal het hof volstaan met toewijzing van de wettelijke rente vanaf de dag van de inleidende dagvaarding. Tussen partijen is niet in geschil dat het hierbij moet gaan om de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BWPro.
Conclusie en afwikkeling
9.5.1.
Uit hetgeen in de voorafgaande tussenarresten en in dit arrest is overwogen, volgt dat het beroepen eindvonnis van 13 mei 2020 ten dele vernietigd moet worden, namelijk ten aanzien van:
de veroordeling van [geïntimeerde] om aan [appellant] € 12.150,-- te betalen ter zake achterstallige huur over de periode van 1 juni 2017 tot 15 oktober 2017, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de sommatie (de sommatie ter zake de huurpenningen);
de afwijzing van het door [appellant] meer of anders gevorderde.
9.5.2.
Het hof zal, in zoverre opnieuw rechtdoende:
[geïntimeerde] veroordelen om aan [appellant] € 9.900,-- te voldoen ter zake achterstallige huurpenningen over de periode van 1 juni 2017 tot en met 15 oktober 2017 (zie hiervoor, rov. 9.1, derde gedachtestreepje), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BWPro over dat bedrag vanaf de dag van de sommatie ter zake de achterstallige huurpenningen (vordering I);
[geïntimeerde] veroordelen om aan [appellant] € 21.716,79 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BWPro over dat bedrag vanaf de dag van de inleidende dagvaarding, zijnde 27 juni 2018 (vordering II).
9.5.3.
Het hof zal het eindvonnis bekrachtigen voor zover het betreft de veroordeling van [geïntimeerde] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het geding bij de kantonrechter.
9.5.4.
Verder zal het hof het tussenvonnis van 10 april 2019 bekrachtigen omdat de daartegen in incidenteel hoger beroep gerichte grieven zijn verworpen.
9.5.4.
Het bovenstaande brengt mee dat het principaal hoger beroep van [appellant] in belangrijke mate doel heeft getroffen. Verder blijkt uit het tussenarrest van 18 juli 2023 dat het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] grotendeels is verworpen. Het hof zal [geïntimeerde] daarom veroordelen in de proceskosten van het principaal hoger beroep en van het incidenteel hoger beroep.
9.5.5.
Het hof zal de kosten voor het principaal hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] begroten op:
Explootkosten € 106,47
Griffierechten € 760,--
Salaris advocaat € 5.498,50 (3,5 punt(en) x tarief III, waarbij het hof
de akte van [appellant] buiten beschouwing laat omdat [appellant] het bankafschrift al eerder had kunnen overleggen)
- Nakosten € 178,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
- Getuigentaxen nihil
Totaal € 6.542,97
9.5.6.
Het hof zal de kosten van het incidenteel hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] begroten op € 1.821,-- (3 punten maal tarief II maal factor ½) aan salaris advocaat.
9.5.7.
Uit al het voorgaande volgt de onderstaande uitspraak.
10.De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
bekrachtigt het beroepen tussenvonnis van 10 april 2019;
vernietigt het beroepen eindvonnis van 13 mei 2020 gedeeltelijk, namelijk ten aanzien van:
de veroordeling van [geïntimeerde] om aan [appellant] € 12.150,-- te betalen ter zake achterstallige huur over de periode van 1 juni 2017 tot 15 oktober 2017, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de sommatie (ter zake de huurpenningen);
de afwijzing van het door [appellant] meer of anders gevorderde;
in zoverre opnieuw rechtdoende, veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] te betalen:
€ 9.900,-- ter zake achterstallige huurpenningen over de periode van 1 juni 2017 tot en met 15 oktober 2017, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BWPro over dat bedrag vanaf de dag van de sommatie ter zake de achterstallige huurpenningen (vordering I);
€ 21.716,79 ter zake kosten van herstel van het gehuurde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BWPro over dat bedrag vanaf de dag van de inleidende dagvaarding, zijnde 27 juni 2018;
bekrachtigt het beroepen eindvonnis voor het overige, dat wil zeggen voor zover het betreft de veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van het geding bij de kantonrechter;
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het principaal hoger beroep ten bedrage van € 6.542,97 en van het incidenteel hoger beroep ten bedrage van € 1.821,--, te betalen binnen veertien dagen na heden; als [geïntimeerde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [geïntimeerde] € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en J.J.M. Saelman en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 juni 2025.