Deze zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant die een machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige kind heeft verleend voor de periode van 12 juli tot 28 september 2024.
De moeder voert aan dat haar gezondheid is verbeterd en dat zij in staat is voor het kind te zorgen, terwijl de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling (GI) juist ernstige zorgen uiten over de veiligheid en stabiliteit van de thuissituatie. De GI benadrukt het gebrek aan transparantie en het onvoorspelbare gedrag van de moeder, waardoor het zicht op de thuissituatie ontbreekt.
Het hof overweegt dat de machtiging terecht is verleend op grond van artikel 1:265b lid 1 BW, omdat de uithuisplaatsing noodzakelijk was in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over en voegt toe dat er meerdere meldingen van onveilige situaties waren, waaronder mogelijk letsel en drugsgebruik. De moeder kon geen stabiele opvoedsituatie bieden en hield zich niet aan veiligheidsafspraken.
Hoewel het hof de persoonlijke ontwikkeling van de moeder en de positieve stappen sinds oktober 2024 complimenteert, speelt dit geen rol voor de beoordeling van de bestreden periode. De beschikking wordt bekrachtigd en de proceskosten worden ieder voor eigen rekening gelaten.