Partijen hadden een relatie tot september 2023 en zijn ouders van een minderjarige die bij de vrouw woont. De vrouw verzocht de rechtbank om kinderalimentatie vanaf januari 2024, welke werd vastgesteld op € 679 per maand. De man ging in hoger beroep en stelde een lagere bijdrage voor, gebaseerd op een gewijzigde draagkracht vanwege beëindiging van zijn Poolse onderneming en gezondheidsklachten.
Het hof beoordeelde de internationale aspecten en bevestigde de Nederlandse rechter als bevoegd en Nederlands recht van toepassing. De behoefte van de minderjarige werd vastgesteld op € 800 per maand in 2024, met een draagkracht van de vrouw van € 109 per maand. De man had een lager inkomen in 2024 door het staken van zijn Poolse onderneming en start van een Nederlandse onderneming, met een netto besteedbaar inkomen van € 3.016 per maand en een draagkracht van € 589 per maand.
Voor 2025 werd een prognose opgesteld op basis van een nieuwe opdracht met een uitzendbureau, met een draagkracht van € 704 per maand. Het hof hield geen rekening met een lening van de man vanwege onvoldoende bewijs van noodzaak. De zorgkorting werd vastgesteld op 5%, conform de rechtbank, vanwege beperkte omgang. Het hof bepaalde dat de man vanaf 23 januari 2024 € 589 per maand en vanaf 1 januari 2025 € 677 per maand aan kinderalimentatie moet betalen. Terugbetaling van teveel betaalde alimentatie werd afgewezen omdat de vrouw de gelden conform het doel heeft besteed en de terugbetalingsverplichting niet redelijk was.