Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 12 oktober 2023;
- het verweerschrift tevens houdende vermeerdering van eis, ingekomen ter griffie op 5 december 2023;
- een V6 formulier van mr. Wijnans, met producties 16 t/m 18, ingekomen ter griffie op 8 januari 2023;
- [de werknemer] , bijgestaan door mr. Wijnans;
- de Belastingdienst, vertegenwoordigd door dhr. mr. [directeur] (directeur Grote Ondernemingen) en mevrouw mr. [P&O] (P&O), bijgestaan door mr. Honders;
- de ter zitting door mr. Wijnans overgelegde en voorgedragen spreekaantekeningen.
‘Uw arts heeft de gevraagde informatie nodig in het kader van de beoordeling van uw actuele arbeidsongeschiktheid en de re-integratie mogelijkheden.’
‘Als de bedrijfsarts op de gestelde datum het gevraagde machtigingsformulier niet heeft ontvangen zal ik op grond van het bepaalde in artikel 7:629, derde lid, onder d, van het Burgerlijk Wetboek de loonbetaling aan u stopzetten. Het loon wordt dan eerst hervat op de dag dat de bedrijfsarts het machtigingsformulier heeft ontvangen.’
‘(…) Als een werknemer niet meewerkt aan de re-integratie activiteiten wordt van een werkgever verwacht dat deze de benodigde prikkelende maatregelen treft om de werknemer tot medewerking te stimuleren. Omdat er geen eerstejaarsevaluatie heeft plaatsgevonden is er ook niet bekeken of werkgever en werknemer met de re-integratie op de juiste weg waren. Gezien het gehele eerste ziektejaar en het verloop hiervan, zou nu bijsturing nodig zijn geweest. De werkgever had hier door moeten pakken. (…) Uit het dossier blijkt dat de werkgever geen nieuw onderzoek bij een andere organisatie dan [bedrijf 2] laat verrichten. Hierdoor blijft de belastbaarheid van werknemer onduidelijk. Omdat deze belastbaarheid onduidelijk blijft wordt er na de intake niet verder gegaan met het spoor IB traject. Hierdoor zijn er m.i. re-integratiekansen gemist. Na de loonstop zijn er geen aantoonbare re-integratie activiteiten meer geweest. (...)’
- de achterstallige pensioenpremies aan ABP af te dragen vanaf eind juli 2021 tot einde dienstverband;
- 96 werkuren te boeken in SAP;
- een overzicht te verstrekken van opgebouwde openstaande vakantie/verlofuren tot einde dienstverband en deze uit te betalen aan [de werknemer] ;
- 10% loon aan [de werknemer] te betalen, te weten het bedrag dat de verzekeraar door de loonstopzetting niet heeft betaald aan [de werknemer] ;
- de door de loonstopzetting gemiste heffingskorting(en) in aangifte IB 2022 aan [de werknemer] te betalen;
- het eventuele nadeel door het uitbetalen van vakantie-uren eind 2020 ten tijde van het medische verzuimtraject aan [de werknemer] te vergoeden;
- te melden of er overige arbeidszaken zijn bij het einde dienstverband en deze na te komen/uit te betalen;
‘(…) De wn is voor oa (belastbaarheids)onderzoek en advies naar [bedrijf 2] verwezen, De wn heeft een deel vd onderzoeken aldaar doorlopen, het complete onderzoek/advies is niet afgerond. [bedrijf 2] heeft de wg geïnformeerd dat de ba alleen met toestemming vd wn inzage kan krijgen in de verkregen resultaten. De ba stuurt een machtiging naar de wn om deze toestemming te verkrijgen. (…)
‘Uw arts heeft de gevraagde informatie nodig in het kader van de beoordeling van uw actuele arbeidsongeschiktheid en de re-integratie mogelijkheden.’
‘
‘- verzoek aan bedrijfsarts om in toelichting aan de orde te stellen achterliggende factoren bij [bedrijf 2] BV waardoor het medisch onderzoek in beginstadium door [bedrijf 2] BV zelf is beëindigd.’Een dergelijke toelichting zoals hier door [de werknemer] omschreven, ‘achterliggende factoren aan de zijde van [bedrijf 2] ’, kon de bedrijfsarts echter alleen geven ná inzage in de gegevens van [bedrijf 2] en daarvoor is was dus eerst de toestemming (machtiging) van [de werknemer] nodig. Anders dan door [de werknemer] is betoogd, heeft de bedrijfsarts [de werknemer] naar aanleiding van zijn brief van 27 februari 2021 en de door hem daarin genoemde ‘achterliggende factoren’ (telefonisch) geprobeerd te benaderen, dat blijkt uit de rapportage van 10 maart 2021, maar toen was [de werknemer] niet bereikbaar en hij heeft ook niet op het voicemailbericht gereageerd. Voorts vraagt het hof zich af wat de bedrijfsarts méér had moeten toelichten dan dat de informatie nodig was in het kader van de beoordeling van de actuele arbeidsongeschiktheid en de re-integratiemogelijkheden. Dat was [de werknemer] in ieder geval wel (zowel mondeling als schriftelijk) medegedeeld. Ook indien, zoals [de werknemer] stelt, alleen een intakegesprek zou hebben plaatsgevonden en geen verder onderzoek, dan zou ook dat zijn gebleken uit de inzage door de bedrijfsarts, net zoals daaruit zou (kunnen) zijn gebleken of het intakegesprek, zo stelt [de werknemer] , onveilig en incorrect zou zijn verlopen. Nu [de werknemer] geen machtiging heeft verstrekt, weet buiten [de werknemer] niemand wat er bij [bedrijf 2] is gebeurd. De brief van 23 januari 2021, waarnaar [de werknemer] in zijn beroepschrift verwijst (productie 8) en die overigens is gericht aan [bedrijf 2] , geeft ook geen duidelijkheid over wat het intakegesprek voor hem incorrect en/of onveilig maakte. Voor zover [de werknemer] in zijn beroepschrift (onder punt 16) heeft betoogd dat zijn reden om de machtiging niet te tekenen (ook) is gelegen in het feit dat [de werknemer] dan [bedrijf 2] niet meer kon aanspreken op het, in zijn ogen, incorrect verlopen intakegesprek, gaat dat betoog niet op, nu dat immers buiten de (rechts)verhouding tussen [de werknemer] en de Belastingdienst staat. Dat de Belastingdienst volgens [de werknemer] zou hebben gezegd dat het onderzoek bij [bedrijf 2] ‘niets heeft opgeleverd’, komt juist omdat [de werknemer] geen machtiging tot inzage heeft verstrekt. De bedrijfsarts had informatie nodig – mede omdat [de werknemer] vaak onbereikbaar was – en kon, zoals in 3.12.1 nader is besproken, zich zonder inzage geen oordeel vormen over de arbeids(on)geschiktheid en re-integratiemogelijkheden van [de werknemer] . De bedrijfsarts kon daardoor ook niet inschatten of na [bedrijf 2] de noodzaak bestond tot het inschakelen van een andere deskundige. In dat kader bezien handelde de Belastingdienst naar het oordeel van het hof niet in strijd met de eisen van goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW Pro). Anders dan door [de werknemer] is betoogd, was niet de Belastingdienst gehouden een streep onder [bedrijf 2] te zetten en niet langer van [de werknemer] een machtiging te verlangen, maar was [de werknemer] gehouden de machtiging te verstrekken, nu hij geen deugdelijke grond had om de machtiging (blijvend) te weigeren. Zelfs nadat de Belastingdienst hem bij brief van brief van 25 juni 2021 waarschuwde dat de betaling van zijn loon per 24 juli 2021 zou worden stopgezet indien hij niet (vóór 5 juli 2021) de machtiging zou verstrekken, bleef hij weigerachtig.
Het loon wordt dan eerst hervat op de dag dat de bedrijfsarts het machtigingsformulier heeft ontvangen).