Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg en in cassatie
2.Het geding na verwijzing
- het exploot van 17 juni 2022, waarbij [geïntimeerde] de provincie en de stichting heeft opgeroepen om bij dit hof voort te procederen;
- het tegen de stichting verleende verstek;
- de memorie na cassatie en verwijzing van [geïntimeerde] ;
- de memorie van antwoord na cassatie en verwijzing van de provincie.
3.De beoordeling
- a. Bij vonnis van 8 februari 2017 is ten name van de Provincie de vervroegde onteigening uitgesproken van gedeelten van tien percelen in de gemeente Schinnen en de gemeente Nuth. Het betrof de percelen met grondplannummers (hierna: gp) [A] , [B] , [C] , [D] , [E] , [F] , [G] , [H] , [I] en [J] .
- b. Dit onteigeningsvonnis is op 5 september 2017 ingeschreven in de openbare registers.
- c. De onteigening heeft plaatsgevonden ter uitvoering van het inpassingsplan ‘Buitenring Parkstad Limburg’, dat voorziet in de realisatie van een provinciale ringweg.
- d. Voorafgaand aan de onteigening was [geïntimeerde] eigenaar van de percelen. Drie van de percelen (gp [A] , [C] en [I] ) maken onderdeel uit van het landgoed Reijmersbeek. Het landgoed bestond op de peildatum onder andere uit het kasteel Reijmersbeek, met bijbehorend park en bos, en een monumentale carréhoeve met bijbehorende agrarische opstallen en gronden. Deze gebouwen staan alle op (het na onteigening overblijvende gedeelte van) perceel gp [I] . Dit perceel en de bij het landgoed behorende percelen gp [A] en [C] bestaan voor het overige uit park/bos dan wel agrarische grond/weiland. Dat laatste geldt ook voor de vijf nabij het landgoed gelegen percelen gp [D] , [E] , [F] , [G] en [H] . Twee, eveneens nabij het landgoed gelegen, percelen zijn ingericht en bestemd als bos/natuur, namelijk de percelen gp [B] en [J] .
- e. Voorafgaand aan de onteigening had de stichting hypotheekrechten op perceel gp [I] (een hypotheekrecht van 14 augustus 2006 voor een bedrag van € 516.152,57) en op de percelen gp [B] , [D] , [G] , [H] en [J] (een hypotheekrecht van 28 juli 2010 voor een bedrag van € 354.779,46).
- het door de provincie te betalen voorschot op de schadeloosstelling van [geïntimeerde] bepaald op € 1.027.252,--, waarvan het in rov. 3.25 van het vonnis genoemde bedrag van € 505.039,-- door de Provincie diende te worden voldaan aan de stichting;
- het aan de pachter [persoon A] te betalen voorschot op de schadeloosstelling bepaald op € 7.124,-- en het aan de pachter [persoon B] te betalen voorschot op de schadeloosstelling bepaald op € 5.106,--.
- Waarde onteigende grond: € 625.429,--;
- Waardevermindering overblijvende: € 388.970,-- (waarvan € 369.050,-- voor de waardevermindering van het overblijvende gedeelte van perceel gp [I] en € 19.920,-- voor de waardevermindering van het overblijvende van enkele andere percelen);
- Bijkomende schade: € 147.000,-- (waarvan € 125.000,-- voor kosten aanpassing en herinrichting, € 3.000,-- voor kosten behoud rangschikking, en € 19.000,-- voor wederbeleggingskosten).
- de rechtbank heeft de waarde van de onteigende grond begroot op € 619.429,-- (€ 6.000,-- minder dan door de deskundigen geadviseerd);
- de rechtbank heeft de waardevermindering van het overblijvende gedeelte van perceel gp [I] op nihil begroot;
- de rechtbank heeft de wederbeleggingskosten op nihil begroot.
- a. Bij de berekening van de waardevermindering van het overblijvende gedeelte van perceel gp [I] moet worden uitgegaan van een veronderstelde verkoop van het landgoed als één geheel in verpachte staat op basis van de op de peildatum vigerende bestemmingen (agrarisch, kasteel en bos).
- b. Als gevolg van de onteigening is het erfperceel bij de carréhoeve verkleind en zijn de ligboxenstal en mestsilo's geamoveerd. Daarmee is de carréhoeve (met erfperceel en huiskavel) feitelijk niet meer geschikt voor de exploitatie van een volwaardig veeteeltbedrijf, en resteert de mogelijkheid om de carréhoeve te gebruiken voor hetzij de exploitatie van een akkerbouwbedrijf hetzij voor voerwinning en beweiding als onderdeel van een elders gevestigd veeteeltbedrijf (conform het feitelijk gebruik van de carréhoeve door voormalig pachter [persoon C] in de afgelopen jaren). Voorts wordt als gevolg van de onteigening (en de aanleg van het werk op het onteigende) de belevingswaarde en het woongenot in de carréhoeve aangetast, door onder meer de korte afstand tot de nieuwe weg (inclusief rotonde), de verhoogde ligging daarvan en de aantasting van het uitzicht in westelijke richting. Met inachtneming hiervan schatten de deskundigen de waardevermindering van de carréhoeve als gevolg van de onteigening en de aanleg van het deel van het werk dat op het onteigende wordt aangelegd op € 56.250,--;
- c. Een deel van het resterende onbebouwde deel van het huiskavel bij de carréhoeve heeft een zeer incourante vorm. De deskundigen schatten de daarmee verband houdende waardevermindering van het huiskavel bij de carréhoeve als gevolg van de onteigening op € 37.800,--.
- d. Als gevolg van de aanleg van het werk op en nabij het onteigende zal de belevingswaarde en het woongenot op het resterende deel van het landgoed en in het kasteel aanmerkelijk aangetast worden door onder meer de relatief korte afstand tot de nieuwe weg (inclusief rotonde), de verhoogde ligging daarvan en de aantasting van het uitzicht. De deskundigen schatten de daarmee verband houdende waardevermindering van het kasteel en het resterende deel van het landgoed als gevolg van de onteigening en de aanleg van het werk op en nabij het onteigende per peildatum op € 275.000,--.
- a. De omvang van de aan [geïntimeerde] toekomende schadeloosstelling moet worden begroot per de datum waarop het onteigeningsvonnis is ingeschreven, zijnde 5 september 2017. Dat pachter [persoon C] op een later moment mogelijk bereid is de pacht om niet te beëindigen en dat [geïntimeerde] daardoor de mogelijkheid krijgt het overblijvende gedeelte van perceel gp [I] vrij van pacht te verkopen, moet dus buiten beschouwing blijven.
- b. Als bij de begroting van de werkelijke waarde van het onteigende wordt uitgegaan van verpachte staat van de grond, moet ook bij de begroting van de waardevermindering van het overblijvende worden uitgegaan van verpachte staat. Het oordeel van de rechtbank is hiermee in strijd.
- of [geïntimeerde] als gevolg van de onteigening over de mogelijkheid is komen te beschikken om het overblijvende deel van perceel gp [I] met daarop het kasteel en de carréhoeve vrij van pacht te verkopen;
- of op de peildatum de mogelijkheid van een pachtbeëindiging om niet redelijkerwijs was te voorzien, en hoe waarschijnlijk respectievelijk zeker die mogelijkheid toen was;
- of, en zo ja in welke mate, er daarom aanleiding bestaat om bij de begroting van de waardevermindering van het overblijvende van perceel gp [I] rekening te houden met die om niet verkregen mogelijkheid van pachtbeëindiging.
- A. Als gevolg van de onteigening diende de melkveestal, die door pachter [persoon C] was opgericht, te worden verwijderd. Herbouw van de stal op het overblijvende ten oosten van de A76 was niet mogelijk, terwijl de tot de carréhoeve behorende opstallen en voorzieningen zodanig verouderd waren dat daarin geen vee gehouden kon worden. Zonder de stal kon het melkveebedrijf niet van [persoon C] niet voortbestaan.
- B. Dit is door de door [geïntimeerde] ingeschakelde [adviseur X] al erkend in zijn taxatierapport van 20 juli 2011, en door de door [geïntimeerde] ingeschakelde [adviseur Y] in zijn taxatierapport van 24 mei 2013.
- C. In het kader van het minnelijk overleg dat aan de onteigening vooraf behoort te gaan, heeft de provincie met [persoon C] onderhandeld over de beëindiging van de pacht van de door de provincie te verwerven percelen. Die onderhandelingen hebben geleid tot een mantelovereenkomst tussen de provincie en [persoon C] die op 23 en 24 januari 2013 is ondertekend. Deze overeenkomst houdt onder meer in dat [persoon C] desgewenst zal meewerken aan beëindiging om niet van de pacht van de aan de oostzijde van de A76 gelegen gronden en opstallen (hof: waaronder gp [I] valt). Het hof constateert dat de provincie ook in haar reactie op het conceptadvies van de deskundigen (blz. 1 onderaan) al op deze overeenkomst uit 2013 heeft gewezen.
- D. Tijdens de descente van 29 augustus 2017 (dus nog vóór de peildatum) heeft de provincie meegedeeld dat met de pachter ( [persoon C] ) een regeling getroffen, die is gebaseerd op beëindiging van de pacht van de hoeve en een agrarisch gebruik van de gepachte grond ten oosten van de A76 anders dan om vee te weiden. Ook heeft de provincie tijdens de descente gesteld dat een redelijk handelende pachter en verpachter om deze reden overeen zullen komen om de pacht van de hoeve te beëindigen.
- E. Namens [geïntimeerde] is bij gelegenheid van de descente opgemerkt:
- F. [geïntimeerde] heeft in zijn reactie op het conceptadvies van de deskundigen onder meer geschreven dat [persoon C] zijn melkveehouderij heeft verplaatst van het landgoed naar elders, en dat de hoofdverbintenissen van de pachtovereenkomst daarmee eenzijdig zijn verbroken.
- G. De in het mailbericht van 12 januari 2018 neergelegde bereidheid van [persoon C] om de pacht van de gronden op gp [I] inclusief de gebouwen om niet te beëindigen, was ook al vastgelegd in de mantelovereenkomst van januari 2013, waardoor [persoon C] jegens de provincie ook verplicht is om aan die pachtbeëindiging mee te werken.
- H. Dit is door de advocaat van [persoon C] nogmaals aan de provincie bevestigd bij e-mail van 21 september 2022 (productie 1 bij de antwoordmemorie na verwijzing).
- dit voorlopig oordeel van het hof;
- de gevolgen die dat heeft voor de waardevermeerdering die per de peildatum aan het overblijvende moet worden toegekend.