De moeder is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Limburg waarin een machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige kind in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder werd verleend. De moeder betoogt dat de machtiging niet tijdig is verzilverd door de gecertificeerde instelling (GI), waardoor deze is vervallen, en dat onvoldoende is onderzocht of een verblijf bij haar met hulp in de thuissituatie mogelijk was.
Het hof stelt vast dat de machtiging inderdaad niet binnen de wettelijk gestelde termijn van drie maanden is uitgevoerd en daardoor is vervallen. Desondanks heeft de moeder een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de beschikking te laten toetsen. Na eigen beoordeling concludeert het hof dat de machtiging ten tijde van de beschikking terecht is verleend, gelet op de onrustige thuissituatie, eerdere plaatsingen en de noodzaak tot begeleiding van de minderjarige richting zelfstandigheid.
De GI heeft ervoor gekozen geen nieuw verzoek tot uithuisplaatsing in te dienen, mede omdat de minderjarige sinds medio september 2023 bij de moeder verblijft en het goed gaat met haar. Het hof wijst het verzoek van de moeder tot vernietiging van de beschikking af en bekrachtigt de bestreden beschikking van de rechtbank.