Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Raad voor de Kinderbescherming,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de processen-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 8 maart 2023 (zaaknummer C/03/314950 / JE RK 23-349) en 28 maart 2023 (zaaknummers C/03/314924 / FA RK 23-663, C/03/314925 / FA RK 23-664, C/03/315040 / FA RK 23-726 en C/03/314950 / JE RK 23-349) en 21 september 2023 (alle vijf zaaknummers eerste aanleg);
- de brief van de raad d.d. 27 juni 2024;
- het V6-formulier met bijlagen (producties 39 tot en met 53) van de advocaat van de pleegouders van 4 september 2024;
- V6-formulier met bijlagen (productie 9 en 10) van de ouders van 9 september 2024;
- V6-formulier met bijlagen (productie 11 en 12) van de ouders van 16 september 2024.
3.De beoordeling
- de moeder hersteld in het gezag over [minderjarige] ;
- bepaald dat de omgangsregeling tussen [minderjarige] en de pleegouders
- de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- de definitieve beslissing ten aanzien van de omgangsregeling voor de duur van zes maanden aangehouden;
- de ouders, de pleegouders en de GI in de gelegenheid gesteld om de rechtbank uiterlijk 1 april 2024 te informeren over het verloop van de omgang waarna de rechtbank partijen zal informeren over het verdere verloop van de procedure
- het meer of anders verzochte afgewezen.
of de ouders in staat zijn om [minderjarige] op te voeden.”Volgens de pleegouders dient [minderjarige] op de béste plek op te groeien. Dus dient die vraag, hoe pijnlijk ook, weldegelijk beantwoord te worden. Niet met als doel om één van de ouderparen boven de ander te stellen, immers mag er voor beiden een rol zijn weggelegd, maar om recht te doen aan de belangen van [minderjarige] . De pleegouders beschouwen zichzelf nog altijd als de beste ouders voor [minderjarige] . Ze maken zich grote zorgen over [minderjarige] ; het gaat helemaal niet goed met hem.
afgewezenen dat de pleegouders in die zin ook geen andere beslissing in het dictum van de beschikking van het hof verzoeken.
Wijziging hoofdverblijf [minderjarige] / terug geleiding naar de pleegouders” uitgebreid inhoudelijk heeft beoordeeld. In die inhoudelijke beoordeling heeft de vraag waar [minderjarige] zou moeten verblijven centraal gestaan en niet, zoals de pleegouders stellen, de vraag of de moeder in haar gezag hersteld zou moeten worden. In dit kader wijst het hof nog op de overweging in de bestreden beschikking waarin de rechtbank terecht benadrukt dat zij, in tegenstelling tot de raad en de deskundigen, er niet zonder meer van uitgaat dat wanneer een kind bij de ouders op kan groeien, dat dan ook zonder meer moet gebeuren.
op basis van een machtiging uithuisplaatsingin het kader van een ondertoezichtstelling. Evenals artikel 1:336a BW betreft een beslissing ex artikel 1:265i BW derhalve de wijziging van de verblijfplaats van een pleegkind dat langer dan een jaar in een pleeggezin verblijft. Beide artikelen zijn bovendien een uitwerking van het blokkaderecht van de pleegouders.
toegewezen, gedoeld op een beslissing ex artikel 1:299a BW: pleegouders die met instemming van de voogd een minderjarige in hun gezin – anders dan uit hoofde van een ondertoezichtstelling of een plaatsing onder voorlopige voogdij – ten minste een jaar hebben verzorgd en opgevoed, kunnen de kinderrechter verzoeken om hen tot voogd te benoemen. Wijst de kinderrechter dit verzoek af, dan kunnen de pleegouders daartegen hoger beroep instellen; art. 1:299a BW valt niet onder het rechtsmiddelenverbod van art. 807 Rv Pro (Zie de conclusie van de A.G. mr. F. Ibili van 20 september 2024 (ECLI:NL:PHR:2024:973, MvT,
Kamerstukken II1991/92, 22487, 3, p. 13 en MvA,
Kamerstukken II1992/93, 22487, 6, p. 15).
4.De beslissing
- voor zover zij verzoeken [minderjarige] op grond van een machtiging uithuisplaatsing bij hen te plaatsen (sub2);
- tot vervanging van de GI in het kader van de voogdijmaatregel(sub 4);
- voor zover zij verzoeken het gezag van de vader te beëindigen (sub 3);