Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/364456 / HA ZA 19-652)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- het exploot van anticipatie van 21 december 2021 van Resort Haamstede;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, tevens akte uitlating producties in principaal hoger beroep, met producties;
- de antwoord-akte uitlating producties;
- de mondelinge behandeling van 23 mei 2023, waarbij beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd;
- de bij H3-formulier van 2 mei 2023 door Stichting Renesse toegezonden producties 38 tot en met 41 en de bij H3-formulier van 15 mei 2023 en bij brief van 15 mei 2023 toegezonden akte, die bij de mondelinge behandeling in het geding zijn gebracht;
- de bij H12-formulier van 9 mei 2023 en de brief van 9 mei 2023, door Resort Haamstede toegezonden productie 61, die bij de mondelinge behandeling in het geding is gebracht.
3.De beoordeling
“(…)
Als na de ondertekening van deze koopovereenkomst blijkt dat:
Als de last of beperking en/of het gebrek in de feitelijke staat pas ná de inschrijving van de akte van overdracht in de openbare registers van het kadaster aan de koper bekend wordt, kan de koper de verkoper aanspreken en schadevergoeding vragen voor de schade die de koper lijdt en die in direct verband staat tot het gebrek in de juridische of feitelijke staat (ook wel 'transactieschade' genoemd). De verkoper is ook aansprakelijk voor de overige schade die de koper lijdt (ook wel 'gevolgschade' genoemd) als hem een verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot de last, de beperking en/of het gebrek. Het bedrag van de schade wordt door de verkoper en de koper vastgesteld. Als zij over het bedrag van de schade geen overeenstemming kunnen krijgen, schakelen zij een deskundige in die wordt benoemd door de rechter op verzoek van een van partijen.”
a) te oordelen dat het oordeel van de rechtbank in rov. 4.16 (dat voor de vraag of sprake is van een acute noodzaak tot sluiting uit moet worden gegaan van een restlevensduur van 1 jaar) een onjuist uitgangspunt is en in plaats daarvan te oordelen dat uitgegaan moet worden van een restlevensduur van 15 jaar;
afsprakenkader’) en bijlage 8 (‘
apendix’) opgenomen en partijen zijn daarbij overeengekomen dat koper de verplichting op zich neemt om de sociaal maatschappelijke en sportfunctie te handhaven gedurende een periode van tenminste 10 jaar. Het hof verwijst daarbij onder meer naar de bepalingen in Hoofdstuk 5 onder 1 en 2, Hoofdstuk 8, onder 3 en Hoofdstuk 9, onder 3 en 6 van de overeenkomst, welke bepalingen in onderling verband dienen te worden beschouwd. Tussen partijen staat vast dat ten tijde van de totstandkoming van de koopovereenkomst jaarlijks het evenement Aemstie Alive in het Sportcentrum werd georganiseerd. Dit betekent dat Resort Haamstede als koper ervan uit mocht gaan dat het Sportcentrum geschikt was om de sociaal maatschappelijke functie, waaronder de organisatie Aemstie Alive, te blijven vervullen na levering van het Sportcentrum. Dit volgt tevens uit het concept verslag van de bespreking tussen partijen op 16 april 2019, waarin over het gebruik van het Sportcentrum tot en met 2018 het volgende is opgenomen:
“Herstel van de functie van het gebouw conform gebruik tot en met 2018.
In artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Woningwet is vervolgens bepaald dat
Ingevolge artikel 2.6, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 is een bestaand bouwwerk gedurende de restlevensduur voldoende bestand tegen de daarop werkende krachten.
€ 178 ,00+
beslissing)
€ 178,00+