Deze zaak betreft het hoger beroep van de vader tegen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake de machtiging tot uithuisplaatsing van zijn minderjarige kind. De vader verzocht vernietiging van de beschikking en primair het hoofdverblijf van de minderjarige bij hem te bepalen, subsidiair plaatsing in een ander pleeggezin met omgangsregeling.
De rechtbank had de machtiging tot uithuisplaatsing bij pleegouders verlengd van 7 januari 2024 tot 7 juli 2024 en de bijzondere curator ontslagen van haar taak. Het hof acht het echter van belang de bijzondere curator opnieuw te benoemen zodat de minderjarige een stem krijgt in het hoger beroep.
De mondelinge behandeling is gepland op 22 april 2024. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan en benoemt de bijzondere curator opnieuw. De zaak betreft een complexe afweging tussen het gezag van de vader, het belang van de minderjarige en de rol van de gecertificeerde instelling en pleegouders.