Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 10019968 / CV EXPL 22-4621)
2.Het geding in hoger beroep
- de exploten van dagvaarding in hoger beroep, met grieven, producties en een vermindering van eis;
- het tegen [geïntimeerde] verleende verstek.
3.De beoordeling
- a. [appellant] is (samen met zijn echtgenote) eigenaar van de woning aan de [adres] .
- b. Vanwege een nieuwe baan is [appellant] met zijn gezin naar Canada verhuisd. Zijn echtgenote en hij wilden de woning tijdelijk verhuren zodat met de huurinkomsten de vaste lasten konden worden doorbetaald en [appellant] en zijn gezin naar Nederland zouden kunnen terugkeren indien het wonen in Canada het gezin niet zou bevallen.
- c. In verband met de beoogde verhuur van de woning heeft [appellant] zijn buurman de [persoon A] (hierna: [persoon A] ) ingeschakeld. [appellant] heeft [persoon A] de sleutels van de woning gegeven. [persoon A] treedt voor [appellant] op als beheerder van de woning.
- d. [persoon A] heeft vervolgens namens [appellant] met [geïntimeerde] een huurovereenkomst gesloten. In artikel 3.1 van de huurovereenkomst staat dat de overeenkomst is aangegaan voor de duur van 36 maanden, ingaande op 1 januari 2022 en lopende tot en met 1 januari 2025.
- e. Verder staat in de huurovereenkomst onder meer het volgende:
10.Bijzondere bepalingen
(…)
(…)”
- f. [geïntimeerde] heeft op enig moment zonder toestemming van [appellant] de sloten van de woning vervangen.
- g. Bij brief van 4 juli 2022 heeft [persoon A] aan de advocaat van [appellant] uiteengezet dat hij met [geïntimeerde] heeft afgesproken dat als [geïntimeerde] de volgende nader te noemen renovaties aan de woning op eigen kosten zou verrichten, de huurprijs geen € 1.200,-- maar € 1.000,-- per maand zou bedragen:
- h. Bij brief van 5 september 2022 heeft de gemeente aan [appellant] meegedeeld dat de gemeente het voornemen heeft een bestuurlijke sanctie aan [appellant] op te leggen vanwege achterstallig onderhoud en overtredingen van het bouwbesluit in de woning.
- i. Bij e-mail van 4 oktober 2022, dus nadat het beroepen kortgedingvonnis is gewezen, heeft de gemeente aan de advocaat van [appellant] onder meer het volgende meegedeeld:
- 1. ontruiming van de woning, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
- 2. betaling van € 5.400,-- ter zake achterstallige huur, te vermeerderen met wettelijke rente;
- 3. betaling van € 2.700,-- ter zake de voor zijn rekening komende rekeningen van de nutsvoorzieningen, te vermeerderen met wettelijke rente;
- 4. betaling van € 780,-- ter zake buitengerechtelijke kosten;
- 5. doorbetaling van de huurprijs van € 1.200,-- per maand tot aan de dag van ontruiming van de woning, vermeerderd met wettelijke rente;
- [appellant] heeft, uitgaande van zijn stellingen, voldoende spoedeisend belang bij zijn vorderingen om een beoordeling van die vorderingen in kort geding te rechtvaardigen (rov. 4.1).
- Voor toewijzing van een vordering tot ontruiming van een woning in kort geding is vereist dat met een grote mate van zekerheid kan worden aangenomen dat in een eventuele bodemprocedure een ontbinding van de huurovereenkomst zal worden uitgesproken (rov. 4.2).
- Het is aannemelijk dat [persoon A] [appellant] bij het sluiten van de huurovereenkomst bevoegd heeft vertegenwoordigd en dat de huurovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen (rov. 4.3).
- Vooralsnog moet worden uitgegaan van een door [geïntimeerde] aan [appellant] verschuldigde huurprijs van € 1.000,-- per maand (rov. 4.6).
- Over de reeds verstreken periode van januari tot en met september 2022 is [geïntimeerde] dus € 9.000,-- aan huur verschuldigd. [geïntimeerde] heeft ter zake huur slechts € 5.400,-- aan [appellant] overgemaakt. Over de periode tot en met september 2022 kan dus worden uitgegaan van een huurachterstand van € 3.600,-- (rov. 4.7).
- Het is aannemelijk dat [geïntimeerde] , zoals hij op de zitting van 14 september heeft toegezegd, op 15 september 2022 de huur voor september zal overmaken. Ervan uitgaande dat [geïntimeerde] dit doet en ook de toekomstige huurtermijnen voldoet, bestaat er op het moment van een eventuele bodemprocedure geen huurachterstand van meer dan drie maanden. Bovendien is onduidelijk gebleven of [geïntimeerde] de door hem gestelde contante betalingen aan [persoon A] heeft verricht. Gelet op het voorgaande kan hooguit worden uitgegaan van een achterstand van minder dan drie maanden, en is voor bepaling van de exacte huurachterstand nader onderzoek nodig. De vordering ter zake huurachterstand is daarom niet in dit kort geding toewijsbaar, en kan ook niet dienen als grond voor toewijzing van de vordering tot ontruiming in dit kort geding (rov. 4.8).
- In de huurovereenkomst is niet opgenomen dat [geïntimeerde] op eigen naam een leveringsovereenkomst voor de nutsvoorzieningen diende af te sluiten. Wel is bepaald dat als de kosten bij [appellant] worden geïnd, [geïntimeerde] deze kosten op eerste verzoek van [appellant] aan [appellant] moet vergoeden (rov. 4.10).
- Uit de stellingen en overgelegde stukken blijkt niet dat [appellant] aan [geïntimeerde] de rekeningen van de nutsbedrijven heeft verstrekt of hem heeft toegelicht welk bedrag [appellant] aan de nutsbedrijven heeft moeten voldoen. Daarom kan er in dit kort geding niet vanuit worden gegaan dat sprake is van een achterstand van [geïntimeerde] in de betaling van de kosten van de nutsvoorzieningen (rov. 4.11).
- Er kan slechts één incident worden vastgesteld waarbij [geïntimeerde] geluidsoverlast heeft veroorzaakt. Dat [geïntimeerde] vaker geluidsoverlast heeft veroorzaakt en zich bedreigend heeft geuit jegens omwonenden, staat niet vast (rov. 4.12 en 4.13).
- Dat [geïntimeerde] de maandelijkse huur steeds enkele dagen te laat heeft betaald, kan evenmin leiden tot toewijzing van de vordering tot ontruiming (rov. 4.14).
- Al met al bestaat onvoldoende aanleiding om in dit kort geding vooruit te lopen op een eventuele ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure (rov. 4.15).
- Het feit dat [geïntimeerde] zonder toestemming van [appellant] de sloten van de woning heeft vervangen, getuigt niet van goed huurderschap maar is, gelet op de discussie tussen partijen, evenmin van voldoende betekenis om toewijzing van de vordering tot ontruiming in kort geding te rechtvaardigen (rov. 4.17).
- 1. ontruiming van de woning, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
- 2. betaling van € 4.600,-- ter zake achterstallige huur, te vermeerderen met wettelijke rente;
- 3. betaling van € 365,76 ter zake de voor zijn rekening komende rekeningen van de nutsvoorzieningen, te vermeerderen met wettelijke rente;
- 4. betaling van € 621,58 ter zake buitengerechtelijke kosten;
- 5. doorbetaling van de huurprijs van € 1.200,-- per maand tot aan de dag van ontruiming van de woning, vermeerderd met wettelijke rente;
- [persoon A] heeft [appellant] bij het sluiten van de huurovereenkomst bevoegd vertegenwoordigd. De huurovereenkomst is rechtsgeldig tot stand gekomen (rov. 4.3).
- Vooralsnog moet worden uitgegaan van een door [geïntimeerde] aan [appellant] verschuldigde huurprijs van € 1.000,-- per maand, en dus niet van € 1.200,-- per maand (rov. 4.6).
- [geïntimeerde] hoeft niet op eigen naam een leveringsovereenkomst voor de nutsvoorzieningen af te sluiten. Wel moet [geïntimeerde] , als de kosten van nutvoorzieningen bij [appellant] worden geïnd, deze kosten op eerste verzoek van [appellant] aan [appellant] vergoeden (rov. 4.10).
- in de huurovereenkomst, die al op 1 januari 2022 is ondertekend, uitdrukkelijk en vetgedrukt is bepaald dat [geïntimeerde] de huur diende over te maken op de bankrekening van [appellant] ;
- ook uit de brief van [persoon A] van 4 juli 2022 is af te leiden dat [geïntimeerde] alleen enkele keren het hierboven in rov. 3.6.2 genoemde bedrag van € 200,-- contant aan [persoon A] heeft betaald;
- [geïntimeerde] de door hem gestelde andere contante betalingen, waarvan hij de stelplicht en de bewijslast heeft, op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd, zoals bijvoorbeeld met kwitanties.
- Voorshands moet worden aangenomen dat ten tijde van de laatste proceshandeling in hoger beroep sprake was van een huurachterstand van vier maanden, die bovendien met het verstrijken van de tijd een stijgende lijn vertoont.
- Voorshands moet worden aangenomen dat [geïntimeerde] de waarborgsom niet heeft betaald, terwijl hij daartoe wel gehouden was op grond van de huurovereenkomst.
- Van de huurbetalingen die [geïntimeerde] wel aan [appellant] heeft overgemaakt, heeft er niet één op tijd (uiterlijk op de eerste dag van de betreffende maand) plaatsgevonden. In zoverre is sprake van het structureel te laat betalen van de huur.
- [geïntimeerde] heeft zonder toestemming van [appellant] de sloten van de woning vervangen. Hierdoor kan de door [appellant] ingeschakelde beheerder de woning in geval van calamiteiten niet betreden, en bovendien wordt [appellant] , doordat [geïntimeerde] geen toegang geeft tot de woning, ernstig gehinderd bij de uitvoering van de door de gemeente geëiste herstelwerkzaamheden.
- Het is voorshands voldoende aannemelijk dat [geïntimeerde] meermaals nachtelijke geluidsoverlast veroorzaakt vanuit de woning en rommel achterlaat in de brandgang bij de woning. Dit veroorzaakt bij omwonenden zo veel irritatie dat het volgens de wijkagent een keer uit de hand kan lopen. Naast het feit dat [appellant] als verhuurder ook een verantwoordelijkheid heeft tegenover omwonenden, kan dit risico’s meebrengen op schade aan de woning.
4.De uitspraak
- veroordeelt [geïntimeerde] om binnen 14 dagen na betekening van dit arrest de woning de [adres] volledig en behoorlijk te verlaten en te ontruimen met al degenen die en al hetgeen dat zich daarop of daarin bevinden respectievelijk bevindt en met afgifte van de sleutels in lege en behoorlijke staat ter vrije beschikking van [appellant] te stellen;
- veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] € 4.000,-- te betalen ter zake achterstallige huur over de periode tot en met oktober 2022, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf de veertiende dag na betekening van dit arrest;
- veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] € 365,76 te betalen ter zake de kosten van gas en elektra over de periode tot en met september 2022, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf de veertiende dag na betekening van dit arrest;
- veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] de huur van € 1.000,-- per maand te betalen over de periode vanaf de datum van dit arrest tot aan de dag van de ontruiming van het gehuurde of ontbinding van de huurovereenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag per betalingsperiode, ingaande op de eerste dag van elke betrokken betalingsperiode over de dan telkens vervallen betalingstermijn;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het geding bij de kantonrechter, en begroot die kosten aan de zijde van [appellant] tot op heden op € 127,43 aan dagvaardingskosten, € 244,-- aan griffierecht en op € 498,-- aan salaris gemachtigde;