Uitspraak
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de rolbeslissing van het hof van 1 maart 2022;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord met productie 1;
- het procesdossier eerste aanleg.
3.De beoordeling
vrouwheeft de grief weersproken en geconcludeerd tot:
- niet-ontvankelijk verklaring van de man in hoger beroep vanwege het bepaalde in art. 3:301 BW Pro in verbinding met art. 433 Rv Pro dan wel tot afwijzing van zijn grief;
- bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.
hofzal als eerste de ontvankelijkheid van de man in zijn hoger beroep beoordelen.
manis hij ontvankelijk in zijn hoger beroep. Het niet (tijdig) inschrijven van het hoger beroep in het rechtsmiddelenregister leidt slechts tot niet-ontvankelijkheid voor zover het hoger beroep het gedeelte van de uitspraak betreft waarvan de rechter heeft bepaald dat het op voet van art. 3:300 lid 2 BW Pro in de plaats treedt van de akte. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Verder heeft art. 3:301 lid 2 een Pro beperkte strekking. Ten slotte zijn geen grieven gericht tegen de toedeling van de woning aan de vrouw. De man is daarom ontvankelijk in zijn hoger beroep.
vrouwis de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. De man heeft nagelaten zijn hoger beroep (tijdig) in te schrijven in het rechtsmiddelenregister. Die inschrijving was noodzakelijk omdat de rechtbank heeft bepaald dat haar vonnis in de plaats kon treden van de leveringsakte. Het dictum kan niet anders worden begrepen dan dat de rechtbank daarin heeft bepaald dat – indien de man niet tijdig meewerkt aan de levering van de woning aan de vrouw of een derde – de uitspraak in de plaats treedt van een deel van de leveringsakte, namelijk van de in de leveringsakte vereiste toestemming en handtekening van de man. Dit deel van het dictum is onlosmakelijk verbonden met de in het dictum opgenomen veroordeling van de man tot medewerking aan levering van de woning en de in het dictum bepaalde waarde waartegen de woning aan de vrouw is toegedeeld.
hofoordeelt als volgt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 23 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:647) over art. 3:301 lid 2 als Pro volgt geoordeeld (voetnoten weggelaten – hof):