In deze civiele zaak staat centraal of de erflaatster gehouden is een bedrag van €17.500,- aan geïntimeerde terug te betalen, dat volgens geïntimeerde is geleend. De erflaatster, vertegenwoordigd door haar bewindvoerder appellante, betwist het bestaan van deze lening en stelt dat slechts een bedrag van €1.700,- als gift is verstrekt.
De rechtbank Limburg veroordeelde appellante tot betaling van €17.500,- vermeerderd met rente, maar het hof in hoger beroep wijst de vorderingen niet toe zonder nader bewijs. Het hof wijst erop dat de dagvaarding en procedure correct zijn verlopen, ondanks enkele formele bezwaren van appellante.
Het hof stelt vast dat geïntimeerde voldoende heeft gesteld maar dat appellante gemotiveerd betwist. Daarom krijgt geïntimeerde de gelegenheid bewijs te leveren door middel van feiten, omstandigheden en getuigenverhoor onder leiding van een raadsheer-commissaris. De zaak wordt aangehouden voor nadere bewijslevering en verdere beslissing.
Het arrest is uitgesproken op 7 november 2023 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarbij het hof de procedure voortzet met een bewijsopdracht over het bestaan van de leningsovereenkomst en het uitstaande bedrag.