Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[Beheer B.V.] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 3] ,wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/364791 / HA ZA 19-681)
2.Het geding in hoger beroep
- het tussenarrest van 6 april 2021, waarbij een mondelinge behandeling na aanbrengen is gelast;
- de akte overlegging producties van [appellante] met producties 25 en 26;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen van 14 juli 2021;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord met productie;
- de akte overlegging producties van [appellante] met producties 27 tot en met 32;
- de mondelinge behandeling van 4 november 2022, waarbij beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd.
3.De beoordeling
a) (primair) de overeenkomsten zoals gesloten tussen [Beheer B.V.] en [appellante] , betrekking hebbende op het verstrekken van bouwadvies door [Beheer B.V.] aan [appellante] , ontbonden te verklaren;
c) (primair en subsidiair) te verklaren voor recht dat [geïntimeerden] jegens [appellante] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [appellante] lijdt of zal lijden ten gevolge van het opstellen van de verklaringen voor [persoon A] door [Beheer B.V.] , zoals overgelegd onder productie 15;
d) (primair en subsidiair) [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [appellante] van de kosten van het geding, de kosten van de deurwaarder daaronder begrepen, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.
i. voor recht te verklaren dat [appellante] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] en jegens hen schadeplichtig is als gevolg van de conservatoire beslaglegging op 22 oktober 2019 (zoals vermeld onder rov. 3.2.10.);
iv. voorwaardelijk, in het geval dat de overeenkomsten van opdracht en de vaststellingsovereenkomst ontbonden verklaard worden en de vordering in conventie tot terugbetaling van een bedrag van € 82.086,98 wordt toegewezen:
[appellante] te veroordelen om aan [geïntimeerden] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 82.086,98, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag als waarde voor de door [geïntimeerden] aan [appellante] geleverde prestatie, bestaande uit de in het lichaam van de conclusie van antwoord genoemde bouwmanagementwerkzaamheden, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf de datum van de reconventionele vordering, althans vanaf de datum waartegen genoemd bedrag van € 82.086,98 in conventie terugbetaald moet worden tot aan de dag der algehele voldoening,
in alle gevallen met veroordeling van [appellante] in de proceskosten en nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.
i) [Beheer B.V.] te veroordelen tot betaling aan [appellante] van een bedrag van
€ 82.086,98, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, binnen 14 dagen na arrest, te vermeerderen met wettelijke rente;
geen negatieve invloed op exploitatie’, ‘is probleem van huurder en niet van verhuurder’, ‘terras is geen onderdeel van het gehuurde’, ‘valt onder klein onderhoud’, ‘gebrek door huurder zelf veroorzaakt’en
‘tijdens oplevering geen opmerking over geweest’.[appellante] stelt dat deze opmerkingen onjuist zijn, maar zij onderbouwt dit niet, althans niet voldoende concreet, gelet op de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerden] [appellante] volstaat met name met algemene opmerkingen die er op neer komen dat ‘het niet aan [Beheer B.V.] is om hier als bouwkundige een oordeel over te hebben’ en dat [geïntimeerde 2] zelf niet meer in het pand is geweest. Door [geïntimeerden] is hier tegenin gebracht dat [geïntimeerde 2] vanwege werk voor een andere opdrachtgever in [plaats] de afgelopen vijf jaar ten minste één maal per maand in het pand kwam en daar zijn auto parkeerde en zodoende zelf in de gelegenheid was om de situatie op te nemen. Tevens hebben [geïntimeerden] aangevoerd dat slechts is verklaard op basis van hetgeen [geïntimeerde 2] wist uit hoofde van de uitvoering van de opdracht ter zake de bouwbegeleiding van het bouwproject, op basis van foto’s, beschikbare documenten en derden, dit naar aanleiding van een verzoek van [persoon A] in verband met waterschade. Dit maakt dat de stelling van [appellante] dat de verklaringen onjuist zijn omdat [geïntimeerde 2] niet meer zelf in het gebouw is geweest, onvoldoende is onderbouwd.