Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 8 februari 2022;
- de memorie van grieven (met producties);
- de memorie van antwoord (met producties).
3.De beoordeling
Naast [de Holding] en Juro Beheer was [appellante] mede contractspartij.
Ten aanzien van de betaling van de koopprijs is in de overeenkomst (art. 3 sub Pro a) bepaald dat deze:
‘geschiedt op basis van een “earn-out” methodiek welke als volgt zal plaats vinden: i. Zolang (…) [persoon A] in leven is zal in 120 maandelijkse termijnen een bedrag van € 8.333,34 worden betaald. (..) [persoon A] zal in deze een actieve bijdrage leveren aan de verdere ontwikkeling van de ondernemingen. (…)’. Bij vroegtijdig overlijden van [persoon A] zou het maandelijkse termijn bedrag worden gereduceerd tot € 3.000,= (art. 3 sub Pro a, ii). De aandelen in [appellante] zijn aan Juro Beheer overgedragen.
de waardebepaling als ook de koopprijs opnieuw vast te stellen en de afspraken hierover in voorliggend overeenkomst wensen vast te leggen’. De koopprijs werd nader vastgesteld op € 58.331,= (neerkomende op zeven vanaf 1 november 2017 al betaalde maandtermijnen van € € 8.333,=). Daarnaast werd door [appellante] en [XXX] met [de Holding] en [geïntimeerde] een managementovereenkomst (prod. 18 cva) gesloten in verband met dienstverlening door [persoon A] . De overeenkomst werd aangegaan voor de duur van 113 maanden, ingaande 1 juni 2018 en eindigende 1 november 2027. De vergoeding werd bepaald op € 1.000.000,= (excl. omzetbelasting) per jaar, te betalen in maandelijkse termijnen van € 8.333,34. Bij overlijden van [persoon A] vóór 1 november 2027 zou een betalingsverplichting aan de partner van [persoon A] gelden van € 3.000,= per maand.
- dat het bij de vraag òf [appellante] een rekening-courantvordering op [geïntimeerde] heeft, gaat om wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en redelijkerwijze hebben mogen afleiden (r.o. 4.1 vonnis);
- dat de koopsom voor de aandelen was bedoeld als pensioenvoorziening en betrouwbaar inkomen voor [persoon A] en zijn partner en dat uit verschillende feiten en omstandigheden blijkt dat bij de overdracht van de aandelen van de rekening-courantvordering geen sprake meer zou zijn; deze zou vervallen, [appellante] zou daarvan afstand doen; (r.o. 4.4 en 4.5 vonnis)
- dat dit blijkt uit de in de rechtsoverwegingen 4.5.1 tot en met 4.5.7 van het vonnis gerelateerde feiten en omstandigheden;
- dat het er daarom voor moet worden gehouden dat de rekening-courantvordering van [appellante] op [geïntimeerde] , hoewel deze op de balansen is blijven staan, is komen te vervallen (r.o. 4.6 vonnis).
vereenzelvigen’ met [persoon A] , Juro Beheer met [persoon B] . [appellante] was volledig eigendom van [geïntimeerde] ( [persoon A] ) en werd door de aandelenoverdracht volledig eigendom van Juro Beheer ( [persoon B] ). [appellante] was bovendien mede contractspartij bij de overeenkomst tot verkoop en overdracht van haar aandelen en mede betrokken bij de in het kader van de overeenkomst gemaakte afspraken zoals de blijvende actieve betrokkenheid van [persoon A] bij het bedrijf en de maandelijkse betalingen aan [geïntimeerde] , welke betalingen na de vaststellingsovereenkomst van 29 september 2018 door [appellante] als eigen verplichtingen aan [geïntimeerde] dienden te worden voldaan. Gezien deze verwevenheid van personen en rechtspersonen, mocht [geïntimeerde] er naar het oordeel van het hof gerechtvaardigd op vertrouwen dat, voor zover de aandelenverkoop en –overdracht [geïntimeerde] aanspraken gaf die door of ten laste van [appellante] zouden moeten worden gerealiseerd, die afspraken door [appellante] gestand zouden worden gedaan.
vaste managementvergoeding’. De vaste maandelijkse betalingen zijn uitsluitend gekoppeld aan een omlijnde periode en een totaalbedrag en niet aan een mate of duur van actieve betrokkenheid van [persoon A] . Bij overlijden van [persoon A] vóór het einde van de afgesproken periode zouden de periodieke betalingen worden gecontinueerd voor een lager bedrag (€ 3.000,=) voor zijn dan achterblijvende partner maar in dat geval totdat in totaal een bedrag van € 1.000.000,= (€ 58.331,= koopsom en € 941.667,= vaste managementvergoeding) zou zijn voldaan (vaststellingsovereenkomst 2018 en bijbehorende managementovereenkomst (art. 8.3, prod. 18 cva).
kennelijke pensioenpot’ voor [persoon A] ’ (randnummer 33) en hebben zij ten aanzien van de nadere invulling van de overeenkomst bij de vaststellingsovereenkomst van 2018 onder meer gesteld ‘
dat de managementovereenkomst [persoon A] nog de mogelijkheid bood om alsnog in zijn pensioen en levensonderhoud te voorzien’(randnummer 38).