Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 2] ,gevestigd te [woonplaats] ,
[X Holding B.V.] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[Exploitatie B.V.],
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/349358 / HA ZA 19-526)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaardingen in hoger beroep;
- de memorie van grieven in principaal hoger beroep met producties;
- de memorie van antwoord van [geïntimeerde 1] met productie;
- de memorie van antwoord van [geïntimeerde 2] en [X Holding B.V.] met productie;
- de memorie van antwoord in principaal hoger beroep tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [Exploitatie B.V.] met producties;
- de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, tevens akte houdende overlegging nadere producties;
- de mondelinge behandeling, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd.
3.De beoordeling
- Echter bij het weglopen van [geïntimeerde 2] erna was mij duidelijk dat hij op dat moment al erg dronken was. Veel meer dan dat ik vermoedde aan tafel. Toen hij terugkwam heeft hij aangegeven eerst met zijn kinderen te willen overleggen aangezien hij hun toestemming nodig heeft. (…)
- Kortom ik ben van mening dat er een deal onder voorbehoud is gemaakt en door iemand die mijns inziens niet wilsbekwaam was.”
Nadat de rechtbank het verzoek bij beschikking van 4 april 2018 heeft toegestaan, zijn er in de periode van 5 juni 2018 tot en met 16 augustus 2019 door de rechter-commissaris verschillende getuigen gehoord. Dit betreffen getuigenverklaringen van [persoon B] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 1] , [persoon D] , [persoon C] en [persoon G] . De processen-verbaal van getuigenverhoor zijn door [X France B.V.] overgelegd als productie 10 bij akte overlegging producties van 7 augustus 2019 en als producties 27, 31 en 32 bij akte II overlegging producties van 21 augustus 2019.
B. partijen ter zake naar de schadestaatprocedure te verwijzen,
D. en voor het geval [Exploitatie B.V.] niet aan haar financiële verplichtingen kan voldoen om [geïntimeerde 2] in privé en [X Holding B.V.] ter zake daartoe hoofdelijk te veroordelen,
E. te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf 30 januari 2017 dan wel met ingang van de eerst mogelijke datum en te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten ad € 6.775,00,
F. [geïntimeerden] te veroordelen in de kosten van de gelegde beslagen,
€ 50.000,- per dag of gedeelte daarvan dat zij hieraan niet voldoen;
b. door middel van een per aangetekende post te verzenden verklaring van een notaris, met
standplaats in Nederland, dat het aandelenregister weer in de toestand van vóór die aandelenoverdracht is teruggebracht;
c. onder bijsluiting daarbij van een origineel afschrift van de door die notaris opgemaakte
akte ter zake waarin de notaris constateert dat de aandelen in [Exploitatie B.V.] als gevolg van de werking van artikel 3:43 BW Pro nimmer in eigendom van [Y B.V.] zijn overgegaan, en in die akte te constateren dat de aandelen sedert 5 juli 2018, althans sinds enige andere datum, bij voortduring in eigendom zijn geweest van [geïntimeerde 2] en/of diens Holding, althans de contractuele wederpartij van [Y B.V.] bij die nietige aandelentransactie;
e. een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000.000;
f. dan wel een veroordeling uit te spreken onder oplegging van een door de rechtbank te bepalen dwangsom.
subsidiair:
U vraagt mij of het juist of niet juist is dat [persoon B] zijn deel van de golfbaan aan [geïntimeerde 2] heeft verkocht voor een prijs van 1 miljoen euro voor de golfbaan en twee ton voor een goed doel. Dat is juist, waarbij geldt dat [geïntimeerde 2] daarvoor toestemming moest hebben van zijn kinderen. De rechter-commissaris houdt mij voor dat dit niet, althans niet meteen, naar voren komt in mijn eerder afgelegde verklaring. De rechter-commissaris houdt mij daarbij voor dat hij mij tijdens mijn eerder verhoor heeft gevraagd of toen [persoon B] en [geïntimeerde 2] elkaar de handend drukten, daarbij nog wat werd gezegd. De rechter-commissaris houdt mij voor dat ik toen heb verklaard dat daar bij mijn weten niets werd gezegd. Ik zeg daarop dat het voorbehoud van overleg met de kinderen door [geïntimeerde 2] wat later is gemaakt, toen hij terugkeerde van een toiletbezoek.
toestemmingnodig te hebben van zijn kinderen, terwijl [persoon B] heeft verklaard dat [geïntimeerde 2] aangaf dat hij de overeenkomst nog met zijn kinderen moest
overleggen.
overleggenmet zijn kinderen dan wel dat hij hun
toestemmingwilde vragen. Volgens [geïntimeerde 1] ging het om woorden van een gelijke strekking. Anders dan door [X France B.V.] is gesteld, acht het hof het niet ongeloofwaardig dat [geïntimeerde 1] zich niet meer kon herinneren of het woord ‘overleg’ dan wel ‘toestemming’ was gebruikt. Uit de toevoeging van [geïntimeerde 1] dat het om woorden van gelijke strekking ging, volgt dat [geïntimeerde 1] de opmerking op dit punt van [geïntimeerde 2] destijds aldus had begrepen dat [geïntimeerde 2] de koopovereenkomst niet alleen met zijn kinderen wilde bespreken, maar dat hij ook hun instemming ermee wilde hebben. Dat [geïntimeerde 1] de opmerking van [geïntimeerde 2] aldus heeft begrepen, ook indien [geïntimeerde 2] destijds het woord ‘overleg’ zou hebben gebruikt, acht het hof niet onbegrijpelijk. Het is veeleer onbegrijpelijk dat [X France B.V.] het aan [geïntimeerde 1] verwijt en het onwaarschijnlijk acht dat [geïntimeerde 1] niet meer weet welke exacte bewoordingen in dit verband zijn gebruikt en daaraan de conclusie verbindt dat [geïntimeerde 1] welbewust de waarheid verdraait om [persoon B] te benadelen en dit vervolgens mede ten grondslag legt aan de vordering jegens [geïntimeerde 1] .
de rechtsmacht van de Nederlandse rechter
Jur.2006, p. 4557 (
Oberösterreich/ČEZ); NJ 2008/487). Zij is slechts van toepassing op vorderingen die op het zakelijk recht zelf zijn gebaseerd. Gelet op deze rechtspraak van het Hof van Justitie vallen vorderingen tot betaling van de koopprijs van onroerend goed niet onder de werking van artikel 24. Ook indien moet worden aangenomen dat de vordering niet alleen ziet op betaling van de koopprijs, maar impliciet ook op de verplichting om mee te werken aan de levering van de golfbaan door [X France B.V.] aan [geïntimeerden] dient op grond van deze rechtspraak van het Hof van Justitie te worden aangenomen dat de vordering tot levering van een onroerend goed op grond van koop niet onder art. 24 sub Pro 1 valt. Dat geldt ook indien het Franse recht van toepassing zou zijn (omtrent het toepasselijk recht hierna in nr. 3.29 e.v.), welk recht de koop als translatief beschouwt en waardoor op grond van de koopovereenkomst de eigendom van het gekochte onroerend goed terstond op de koper overgaat (zie HvJ EG 5 april 2001, C-518/99,
Jur.2001, p. I-2771 (
Gaillard/Chekili); NJ 2002/418 met noot van [naam] ).
Gelet op het voorgaande heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht op grond van de hoofdregel van artikel 4 lid 1 van Pro de Verordening (EU) nr. 1215/2012.
toepasselijk recht
partijen bij de gestelde overeenkomst
de vordering tot nakoming tegen [Exploitatie B.V.]