In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant bekrachtigd waarbij het verzoek van appellant tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen. De schuldenaar had een schuld van ruim €150.000, voornamelijk voortvloeiend uit een verkeersongeval waarbij hij zonder geldig rijbewijs een motor bestuurde. De rechtbank oordeelde dat de schulden niet te goeder trouw waren ontstaan, mede vanwege eerdere verkeersboetes en andere onbetaalde schulden.
Appellant en zijn beschermingsbewindvoerder gingen in hoger beroep en voerden aan dat de verkeersboete van augustus 2022 slechts een boete voor fout parkeren betrof en dat appellant zijn agressieproblemen had verbeterd. Tevens stelde appellant dat hij een baan had gevonden en zich zou inspannen om zijn situatie te verbeteren. Het hof oordeelde echter dat de beschermingsbewindvoerder niet-ontvankelijk was omdat het indienen van het beroep een daad van beschikking over onder bewind staande goederen is.
Het hof stelde vast dat de schulden niet te goeder trouw waren ontstaan, onder meer omdat appellant zonder rijbewijs een motor bestuurde en daarvoor geldboetes had ontvangen. Ook was onvoldoende aannemelijk dat appellant de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zou nakomen, mede vanwege psychosociale problematiek en het ontbreken van een stabiel sociaal vangnet. Het beroep op de hardheidsclausule werd verworpen. Het hof bekrachtigde daarom het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af.