Uitspraak
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties 7 tot en met 14;
- de akte overlegging productie van [appellante] van 8 februari 2022, met productie 15;
- de memorie van antwoord met producties 3 tot en met 19;
- het namens [appellante] ingezonden H12-formulier, gedateerd 28 april 2023, met daarbij producties 1 tot en met 4;
- het namens Plaza ingezonden H12-formulier, gedateerd 5 mei 2023, met daarbij producties 20 tot en met 23;
- de mondelinge behandeling van 16 mei 2023, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd.
3.De beoordeling
- Plaza werkt in opdracht van coöperaties van zzp’ers die werkzaam zijn in de zorg- en welzijnssector.
- [appellante] was sinds 1 mei 2016 krachtens arbeidsovereenkomst in dienst van Plaza,
- Aanvankelijk werkte [appellante] in de functie van relatiemanager. Sinds 1 mei 2017 is haar functie gewijzigd in beleidsadviseur kwaliteit en innovatie.
- Artikel 3.3 van de arbeidsovereenkomst luidt:
“dat hard werken het aard van het beestje is en dat ze dat leuk vindt”(productie 10 Plaza). [appellante] heeft weliswaar aangevoerd dat dit geen functioneringsgesprek betrof en dat het verslag nooit aan haar is verstrekt, maar zij heeft de juistheid van voormeld citaat/antwoord niet inhoudelijk betwist. Dit antwoord geeft niet het signaal aan Plaza als werkgever dat [appellante] genoeg had van het vele werken en dat zij betaling van het overwerk wilde en het verslag laat bovendien zien dat Plaza wel degelijk oog had voor het functioneren en de positie van [appellante] .
- Verder is niet in debat dat [appellante] in 2019 voor haar inspanningen met betrekking tot het op orde brengen van de facturatie een bonus heeft ontvangen ter grootte van twee maandsalarissen. Ook staat vast dat de aanstelling van [appellante] per 1 januari 2020 is gewijzigd van 40 naar 36 uur per week met gelijkblijvend maandsalaris, wat feitelijk een salarisverhoging inhield. Dat deze wijziging volgens [appellante] door Plaza is ‘opgevoerd’ omdat men het personeel wilde laten ressorteren onder coöperatie CAZZ, die het personeel onder de werking van een cao met een 36-urige werkweek wilde brengen, maakt dit niet anders. Dat [appellante] op dat moment kenbaar heeft gemaakt daarnaast ook nog aanspraak te willen maken op betaling van de overuren blijkt uit niets.
- Daarbij stelt het hof vast dat [appellante] , tot haar e-mailbericht van 31 december 2020 (productie 12 Plaza), geen financiële consequenties verbindt aan de volgens haar als overwerk gewerkte uren. Het had voor de hand gelegen dat [appellante] , indien zij inderdaad al in 2019 van mening was dat zij teveel uren moest werken en dat zij die overuren betaald wilde zien door Plaza, dit op een heldere manier eerder aan Plaza kenbaar had gemaakt. Plaza had dan de juistheid van de gestelde overuren meteen kunnen controleren en had maatregelen kunnen nemen om te voorkomen dat [appellante] in de uitoefening van haar taken teveel uren werkte. Die mogelijkheid is haar nu ontnomen.