ECLI:NL:GHSHE:2022:930

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
22 maart 2022
Publicatiedatum
23 maart 2022
Zaaknummer
20-003141-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep bevestigt integrale vrijspraak verdachte medeplegen gijzeling

In deze strafzaak was verdachte in eerste aanleg integraal vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen van gijzeling. De officier van justitie stelde hoger beroep in tegen deze vrijspraak. Tijdens het hoger beroep werd ook de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie betwist vanwege vermeende schending van de redelijke termijn en artikel 6 EVRM Pro.

Het hof overwoog dat een overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, maar tot een mogelijke strafvermindering. Gezien de omstandigheden was er geen reden om het OM niet-ontvankelijk te verklaren. Daarnaast was de benadeelde partij overleden en traden erfgenamen niet op, waardoor de vordering tot schadevergoeding niet meer aan de orde was.

Na beoordeling van het bewijs en de argumenten van partijen bevestigde het hof het vonnis van de rechtbank en sprak verdachte integraal vrij. De vordering van het openbaar ministerie werd afgewezen en de vrijspraak gehandhaafd.

Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 22 maart 2022, waarbij de voorzitter en raadsheren het vonnis bevestigden.

Uitkomst: Het hof bevestigt de integrale vrijspraak van verdachte wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003141-16
Uitspraak : 22 maart 2022
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 10 oktober 2016, in de strafzaak met parketnummer 02-810614-14 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [adres].
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte integraal vrijgesproken van het tenlastegelegde en het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven. Voorts is de [benadeelde partij] in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft de [benadeelde partij] in de vordering niet-ontvankelijk verklaard. In hoger beroep is gebleken dat de [benadeelde partij] op 29 oktober 2016 is overleden. Het hof overweegt dat het overlijden van de benadeelde partij na het indienen van diens vordering, in beginsel geen beletsel vormt voor het behandelen van de vordering tot schadevergoeding als de erfgenaam of erfgenamen in zijn plaats treden. Gelet op het feit dat de erfgenaam of de erfgenamen niet te kennen hebben gegeven de vordering van [benadeelde partij] in hoger beroep te willen handhaven, is de vordering thans niet meer aan de orde.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal vrijspreken van het onder feit 2 tenlastegelegde en de verdachte zal veroordelen voor het onder feit 1 primair tenlastegelegde (medeplegen van gijzeling) tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest.
Namens verdachte is primair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit in verband met overschrijding van de redelijke termijn en schending van artikel 6 van Pro het EVRM. Subsidiair is integrale vrijspraak bepleit wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Meer subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.
Ontvankelijkheid openbaar ministerie
De raadsman heeft de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit omdat het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van Pro het EVRM zou zijn geschonden nu er sprake is van een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde.
De advocaat-generaal heeft betoogd dat een overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, maar dient te worden verdisconteerd in de strafmaat.
Het hof overweegt als volgt.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578), en nogmaals herhaald in zijn arrest van 9 februari 2021 (ECLI:NL:HR:2021:197), bepaald dat een overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. De regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de in laatste feitelijke instantie opgelegde straf.
In de door de verdediging aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden van het geval ziet het hof onvoldoende grond om tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te komen.
Het verweer wordt derhalve verworpen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en met de redengeving waarop dit berust. In hetgeen in hoger beroep door de advocaat-generaal is aangevoerd ziet het hof geen reden om tot een ander oordeel te komen.

BESLISSING

Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Aldus gewezen door:
mr. A.J.M. van Gink, voorzitter,
mr. S. Taalman en mr. C.A. van Roosmalen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier,
en op 22 maart 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.