Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 15 april 2021;
- het verweerschrift inclusief incidenteel hoger beroep met producties, ingekomen ter griffie op 23 juli 2021;
- een brief van [de werknemer] met producties, ingekomen ter griffie op 27 juli 2021 (met dossier eerste aanleg inclusief producties;
- een brief van [de werkgever] met producties J en K, ingekomen ter griffie op 27 juli 2021;
- het verweerschrift in incidenteel hoger beroep, ingekomen ter griffie op 28 juli 2021;
3.De beoordeling
- doorbetaling van het achterstallig salaris vanaf 1 maart 2019 tot heden, vermeerderd met de wettelijke verhoging;
- doorbetaling van het vakantiegeld over de periode 2019/2020 aan hem moet betalen, vermeerderd met de wettelijke verhoging,
- bepaling dat [de werkgever] deugdelijke loonstroken aan hem moet verstrekken vanaf 1 maart 2019
- bepaling dat het afgesproken salaris per heden wordt betaald op het gebruikelijke tijdstip en de gebruikelijke wijze tot de rechtsgeldige einddatum van de arbeidsovereenkomst;
juli 2020, inclusief alle looncomponenten, waaronder maar niet uitsluitend het vakantiegeld, overeenkomstig de berekeningen van [de werknemer] onder punt 6.26 en 6.27 van het verzoekschrift.
zonder deugdelijke grondzijn re-integratieverplichtingen niet nakomt. Hiervan is gelet op het terechte beroep op opschorting geen sprake nu er wel een deugdelijke grond was om zijn verplichtingen niet na te komen. Op lid 3 van artikel 7:629 BW Pro kan [de werkgever] dus geen beroep doen.
- de inhoud van het “plan van aanpak” waarin [de werkgever] expliciet aangeeft geen probleemoplossend gesprek aan te gaan in verband met de aanstaande beëindiging van het contract,
- de brief van 25 juli 2019 waarin beëindiging met een vaststellingsovereenkomst wordt aangekondigd,
- de brief van 27 september 2019 waarin als einddoel is aangegeven het einde van het dienstverband,
- de brief van 10 januari 2020 met wederom een voorstel tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst,
- het telefonisch gesprek van 29 juli 2020 en het aanbod in de brief van 3 augustus 2020.
- het feit dat [de werkgever] [de werknemer] niet wilde laten terugkeren in zijn eigen functie,
- het ten onrechte en meermaals opleggen van een loonsanctie,
- het blijvend koersen op beëindiging van het dienstverband en
- het niet opvolgen van de adviezen van de arbo-arts en het UWV.
€ 11.000,00 onvoldoende onderbouwd. Het overleggen van de facturen met de bijbehorende specificaties onderbouwen het gevorderde bedrag wel maar geven onvoldoende inzicht in de concrete inhoud en het doel van de werkzaamheden. In eerste aanleg heeft [de werknemer] een bedrag van € 2.775,00 gevorderd als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Deze kosten zagen, aldus 6.21 van het verzoekschrift in eerste aanleg, op het samenstellen van het dossier, het eindeloos communiceren over het op de juiste wijze vorm geven van de re-integratie, het eindeloos manen tot betaling van het salaris, het voeren van mediation-gesprekken in het bijzijn van de raadsvrouw, het tweemaal vragen van een deskundigenbericht, het uitgebreid voeren van inhoudelijke juridische correspondentie met de werkgever en het uitwisselen van schikkingsvoorstellen. [de werknemer] heeft niet duidelijk gemaakt hoe de onderhavige vordering zich verhoudt tot hetgeen in eerste aanleg met voormelde onderbouwing is toegewezen.