In deze zaak in hoger beroep stond de vaststelling van het hoofdverblijf van drie minderjarige kinderen centraal. Na eerdere procedures en een beschikking van het hof in oktober 2020, waarbij een zorgtraject werd ingezet, bereikten de ouders uiteindelijk volledige overeenstemming over het hoofdverblijf van alle kinderen.
De vader en moeder kwamen overeen dat het hoofdverblijf van de twee jongste kinderen bij de vader zou zijn en dat van de oudste minderjarige bij de moeder. De moeder was inmiddels zonder advocaat, maar stemde schriftelijk in met het beëindigen van de mondelinge behandeling en verzocht om de gemaakte afspraken vast te leggen.
Het hof vernietigde het eerdere vonnis van de rechtbank voor zover het het hoofdverblijf van de oudste minderjarige bij de vader had bepaald en wees het verzoek van de moeder toe om het hoofdverblijf bij haar te plaatsen. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.