In deze civiele zaak stond centraal of appellant tijdens een bespreking op 9 maart 2017 met geïntimeerde een mondelinge afspraak had gemaakt dat hij de uren die hij na een arrest van november 2016 zou besteden in het onderhandelingstraject tegen een uurtarief van €135 exclusief btw aan geïntimeerde mocht factureren.
Appellant voerde bewijs aan met getuigenverklaringen, waaronder die van zichzelf en een advocaat, terwijl geïntimeerde en zijn echtgenote tegenbewijs leverden. Het hof concludeerde dat appellant niet slaagde in de bewijslevering dat er een wijziging van de honorariumafspraak was overeengekomen. Uit de verklaringen bleek slechts dat geïntimeerde geen bezwaar had tegen het proberen te verkrijgen van vergoeding van de gemeente, mits hem zelf geen kosten zouden worden opgelegd.
De oorspronkelijke schriftelijke overeenkomst van opdracht uit 2010 bleef volgens het hof van kracht tot het bereiken van definitieve overeenstemming met de gemeente eind 2017, waarna geïntimeerde de basiscourtage aan appellant heeft voldaan. Het feit dat de pachtkamer oordeelde dat er sprake was van huur in plaats van pacht, wijzigde deze afspraak niet.
Het hof wees erop dat de vergoeding die de gemeente aan geïntimeerde toekende voor adviseurskosten niet toereikend was om zowel de basiscourtage van appellant als de kosten van andere adviseurs te dekken. Het hof oordeelde dat appellant de uren niet bij geïntimeerde mocht declareren zonder wilsovereenstemming, die niet was komen vast te staan.
Daarom werden de vorderingen van appellant afgewezen en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Appellant werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, die uitvoerbaar bij voorraad werden verklaard.