Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,2. [appellante] ,beiden wonende te [woonplaats] ,
5.Het vervolg van de procedure in hoger beroep
- het tussenarrest van 23 maart 2021 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van de op 29 april 2021 gehouden mondelinge behandeling na aanbrengen;
- de door [appellanten] genomen memorie van grieven met producties 7 tot en met 13;
- de door [geïntimeerde] genomen memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens houdende een vermeerdering van eis (en dus een incidenteel hoger beroep), met producties 13 tot en met 18;
- de door [appellanten] genomen akte;
- de brief van dit hof van 10 december 2021, waarbij namens de rolraadsheer aan de advocaten is meegedeeld dat de door [geïntimeerde] genomen vermeerdering van eis wordt beschouwd als een incidenteel hoger beroep, en waarbij aan [appellanten] een termijn is gegeven voor het nemen van een memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
- de door [appellanten] genomen antwoordmemorie na eisvermeerdering (door het hof tevens opgevat als memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep) met producties 14 tot en met 22.
6.De beoordeling in principaal en incidenteel beroep
- a. Bij medio 2017 gesloten huurovereenkomst heeft [geïntimeerde] met ingang van 1 augustus 2017 aan [appellanten] de bedrijfsruimte met inpandige woonruimte aan de [adres 1] te [plaats] verhuurd. Het gehuurde is in de huurovereenkomst bestemd als café-restaurant met inpandige woning. De huurovereenkomst is aangegaan voor een periode van 5 jaar, ingaande op 1 augustus 2017 en lopende tot en met 31 juli 2022. De partijen zijn, kort gezegd, een huurprijs van € 1.750,-- per maand te vermeerderen met btw overeengekomen voor de bedrijfsruimte en een huurprijs van € 600,-- per maand vrij van btw voor de inpandige woning.
- b. Bij huurovereenkomst van 21 november 2018 heeft [geïntimeerde] met ingang van 1 januari 2019 aan [appellanten] de onroerende zaak aan de [adres 2] te [plaats] verhuurd. Het gehuurde is in de huurovereenkomst bestemd om te worden gebruikt als groepsaccommodatie / guesthouse. De huurovereenkomst is aangegaan voor een periode van twee jaar, ingaande op 1 januari 2019 en lopende tot en met 31 december 2020. De overeengekomen huurprijs bevat een vaste component van € 425,-- per maand, te voldoen vóór of op de eerste dag van de betreffende maand, en een variabele component, te voldoen vóór of op de laatste dag van de opvolgende maand.
- c. [appellanten] hebben niet steeds de overeengekomen huurprijzen betaald.
- A. € 13.070,54 aan achterstallige huur voor het gehuurde aan de [adres 1] over de periode tot en met augustus 2020, vermeerderd met de wettelijke rente over € 7.304,56 (de achterstallige huur over de periode tot en met april 2020) vanaf de dag van de inleidende dagvaarding, zijnde 23 april 2020;
- B. € 2.100,-- aan boeterente voor de te late betaling van de huur voor het gehuurde aan de [adres 1] , berekend tot en met augustus 2020;
- C. € 753,84 aan buitengerechtelijke kosten ter zake de vordering met betrekking tot het gehuurde aan de [adres 1] ;
- D. € 6.829,37 aan achterstallige huur voor het gehuurde aan de [adres 2] over de periode tot en met augustus 2020, vermeerderd met de wettelijke rente over € 5.397,75 (de achterstand over de periode tot en met april 2020) vanaf de dag van de inleidende dagvaarding, zijnde 23 april 2020;
- E. € 2.100,-- aan boeterente voor de te late betaling van de huur voor het gehuurde aan de [adres 2] , berekend tot en met augustus 2020;
- F. € 471,23 aan buitengerechtelijke kosten ter zake de vordering met betrekking tot het gehuurde aan de [adres 2] ;
- G. € 2.786,15 met betrekking tot drie facturen van [geïntimeerde] ter zake door [appellanten] ten onrechte in verrekening gebrachte kosten;
- H. € 683,70 en € 322,99 ter zake twee facturen van [geïntimeerde] ter zake door [appellanten] ten onrechte in verrekening gebrachte kosten;
- I. € 2.181,03 inclusief btw en € 618,-- per maand voor iedere maand die zal verstrijken na augustus 2020 tot aan de expiratiedatum van de huurovereenkomst zijnde 1 augustus 2022, dan wel, tot aan die dag dat [geïntimeerde] met betrekking tot het gehuurde met een opvolgend huurder / huurders eerder een nieuwe huurovereenkomst heeft gesloten onder gelijke voorwaarden, voor het pand [adres 1] ,
- J. € 514,25 inclusief btw per maand voor het vaste huurcomponent, en betaling van variabele huurcomponent onder overlegging van deugdelijke specificaties, voor iedere maand die zal verstrijken na augustus 2020 tot aan de expiratiedatum van de huurovereenkomst zijnde 1 januari 2021, dan wel tot aan die dag dat [geïntimeerde] met betrekking tot het gehuurde met een opvolgend huurder / huurders eerder een nieuwe huurovereenkomst heeft gesloten onder gelijke voorwaarden.
- € 25.324,98 (hof: het totaal van de hiervoor in rov. 6.2.2 genoemde posten A tot en met F) vermeerderd met de wettelijke rente over € 12.702,31 (hof: € 7.304,56 aan achterstallige huur voor het gehuurde aan de [adres 1] over de periode tot en met april 2020 en € 5.397,75 aan achterstallige huur voor het gehuurde aan de [adres 2] , over de periode tot en met april 2020) vanaf 23 april 2020;
- ter zake de bedrijfsruimte met inpandige woning e.a. aan de [adres 1] € 2.181,03 inclusief btw per maand en € 618,03 per maand of gedeelte van een maand, ingaande 1 september 2020 tot aan de expiratiedatum van de huurovereenkomst zijnde 1 augustus 2022, dan wel tot aan die dag dat [geïntimeerde] met betrekking tot het gehuurde met een opvolgend huurder/ huurders eerder een nieuwe huurovereenkomst heeft gesloten onder gelijke voorwaarden;
- ter zake de bedrijfsruimte aan de [adres 2] € 514,25 inclusief btw (hof: per maand) als vaste component, alsmede de (hof: maandelijkse) variabele component onder overlegging van deugdelijke specificaties, zulks met ingang van 1 september 2020 tot aan de expiratiedatum van de huurovereenkomst zijnde 1 januari 2021, dan wel tot aan die dag dat [geïntimeerde] met een opvolgend huurder/ huurders eerder een nieuwe huurovereenkomst heeft gesloten onder gelijke voorwaarden.
- bekrachtiging van het beroepen vonnis (inclusief de daarbij toegewezen bedragen aan boeterente en buitengerechtelijke kosten; de hiervoor in rov. 6.2.1 genoemde posten B, C, E en F), met vermeerdering van het door [appellanten] te betalen bedrag aan huurachterstand tot € 33.951,-- + € 13.882,46 (punten 75 en 76 memorie van grieven in incidenteel hoger beroep; naar het hof begrijpt komen deze bedragen in de plaats van de posten die hiervoor in rov. 6.2.1 onder A, D, I en J zijn genoemd), vermeerderd met wettelijke rente zoals vermeld in punt 78 van de memorie van grieven in incidenteel hoger beroep;
- veroordeling van [appellanten] tot betaling van € 459,-- ter zake een niet vervangen televisietoestel, vermeerderd met wettelijke rente;
- grief 1 in principaal hoger beroep: de hoogte van de huurachterstand, afgezien van de bij de grieven 2 en 3 te behandelen beroepen op vermindering van de huurprijs en afgezien van het beroep op verrekening van de achterstand met onder meer de betaalde waarborgsommen;
- de in incidenteel hoger beroep gewijzigde eis ter zake de achterstallige huur.
- I. € 17.852,60 aan huur voor het restaurant;
- II. € 4.400,16 aan huur voor de inpandige woning;
- III. € 3.085,50 ter zake de vaste component van de huur van het guesthouse;
- IV. € 5.826,70 ter zake de variabele component van de huur van het guesthouse over de periode tot en met augustus 2020;
- V. € 2.786,15 in verband met door [appellanten] ten onrechte aan [geïntimeerde] doorberekende kosten;
- VI. € 13.882,46 als variabele component van de huur van het guesthouse in verband met verhuur daarvan door [appellanten] in de periode van 29 augustus tot en met 8 november 2020;
- post I: onbetaald gebleven deel van de huur voor het restaurant;
- post II: onbetaald gebleven deel van de huur voor de inpandige woning.
- de onbetaald gebleven huur van € 618,-- per maand over de maanden maart, april en juni 2020 (hof, tezamen € 1.854,--);
- de onbetaald gebleven huur van € 636,54 per maand over de maanden juli, september, november en december 2020 (hof: tezamen € 2.546,16).
“de door [appellanten] . overgelegde bankafschriften”. Het hof begrijpt dat [geïntimeerde] doelt op de als productie 8 bij de memorie van grieven overgelegde bankafschriften. Daarbij bevindt zich een afschrift waaruit inderdaad blijkt dat de huur voor de woning over de maand juli 2020 naar [geïntimeerde] is overgemaakt op 1 juli 2020 maar vervolgens is gestorneerd (“Terugboeking op verzoek klant”) op 2 juli 2020. [appellanten] hebben in hun akte gesteld dat geen sprake is geweest van een stornering van de huur over de maand juli 2020. Het hof verwerpt die stelling omdat die stelling tegenover het bovengenoemde bankafschrift onvoldoende is onderbouwd.
- Va. het bedrag van € 1.997.97 inclusief btw dat [geïntimeerde] aan [appellanten] in rekening heeft gebracht bij factuur van 11 december 2019 onder vermelding van
- Vb. het bedrag van € 230,50 inclusief btw dat [geïntimeerde] aan [appellanten] in rekening heeft gebracht bij factuur van 11 december 2019 onder vermelding van
- Vc. het bedrag van € 557,68 inclusief btw dat [geïntimeerde] aan [appellanten] in rekening heeft gebracht bij factuur van 2 april 2020 onder vermelding van
- op grond van artikel 6.1 van de huurovereenkomst voor het restaurant met de inpandige woning aan [geïntimeerde] een borgsom hebben betaald van € 7.050,;
- op grond van artikel 7.1 van de huurovereenkomst voor het guesthouse aan [geïntimeerde] een borgsom hebben betaald van € 10.000,--.
- a. De overeengekomen huurprijs wordt uitgedrukt in een percentage van het totaalbedrag aan vaste lasten.
- b. Het met dat percentage overeenstemmende deel van de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) waarop de huurder aanspraak kan maken, wordt afgetrokken van het bedrag van de overeengekomen huurprijs.
- c. De procentuele omzetvermindering wordt vastgesteld door de omzet in de periode waarover de huurprijsvermindering berekend wordt (hierna: de lagere omzet) te vergelijken met de omzet in een vergelijkbaar tijdvak voorafgaand aan de coronapandemie (hierna: de referentieomzet) volgens de formule: 100% – (100% x (de lagere omzet : de referentieomzet)).
- d. Het met de verstoring van de waardeverhouding samenhangende nadeel wordt gelijk verdeeld over de verhuurder en de huurder (ieder 50% van het nadeel), tenzij uit de in art. 6:258 lid 1 BW Pro bedoelde redelijkheid en billijkheid een andere verdeling volgt.
- € 17.818,41 in het eerste kwartaal;
- € 7.906,98 in het tweede kwartaal;
- € 18.765,36 in het derde kwartaal;
- € 1.676,23 + € 23.137,43 ( [persoon A] ) in het vierde kwartaal.
- € 43.236,21 in het eerste kwartaal;
- € 62.779,21 in het tweede kwartaal;
- € 57.199,07 in het derde kwartaal;
- € 26.560,34 in het vierde kwartaal.
- gebreken aan de riolering;
- overige gebreken.