In deze civiele zaak stond de vraag centraal of Loonbedrijf [Y] aansprakelijk kon worden gehouden voor een onrechtmatige daad jegens [X] Boomkwekerijen B.V. vanwege spuitwerkzaamheden met landbouwgif. Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.
Het hof oordeelde dat de bewijsopdracht over de tijdstippen van spuitwerkzaamheden niet nodig was, omdat uit de overgelegde stukken duidelijk bleek dat de werkzaamheden plaatsvonden op 6 april 2019 tussen ongeveer 7:00 en 8:42 uur. Over de weersomstandigheden bestond geen geschil; de windsnelheid lag binnen de toegestane norm van maximaal 5 m/s.
Verder stelde het hof vast dat [Y] de nodige voorzorgsmaatregelen had genomen, zoals het gebruik van driftarme doppen en het spuiten op minder dan een halve meter van de bodem met een druk van 2 bar. Er was geen bewijs dat rechtstreeks op het perceel van [X] was gespoten of dat de aangetroffen stoffen op de bomen het gevolg waren van de werkzaamheden van [Y].
Gezien deze feiten concludeerde het hof dat er geen sprake was van een onrechtmatige daad door [Y]. De grieven van [X] faalden, en het hof veroordeelde [X] in de kosten van het hoger beroep.