Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant ] ,wonende te [woonplaats] ,
[appellante ] ,wonende te [woonplaats] ,
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Appellanten kwamen in verzet tegen een verstekvonnis dat hen hoofdelijk veroordeelde tot betaling van een openstaande vordering uit een koop- en financieringsovereenkomst voor een auto. De kantonrechter verklaarde appellanten niet-ontvankelijk in het verzet wegens te late indiening. In hoger beroep betoogden appellanten dat zij niet tijdig kennis hadden genomen van het verstekvonnis en dat de verzettermijn onjuist was vastgesteld.
Het hof overwoog dat de verzettermijn ingaat bij betekening van het vonnis, een daad van bekendheid of bij aanvang van de tenuitvoerlegging. Intrum had derdenbeslag gelegd op een periodieke uitkering van appellante, waaruit vanaf maart 2015 betalingen aan schuldeisers plaatsvonden. Dit betekende dat de verzettermijn toen was aangevangen. Appellanten hadden betwist op de hoogte te zijn geweest, maar het hof achtte dit niet aannemelijk gezien de omstandigheden en de financiële begeleiding die zij ontvingen.
Daarmee was het verzet van 25 mei 2020 te laat ingediend. Het hof bevestigde dat de verzettermijn correct was toegepast en bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter. Appellanten werden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Het arrest werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het hof verklaart appellanten niet-ontvankelijk in hun verzet wegens overschrijding van de verzettermijn en bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.