Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning uit 1966, met een inhoud van 587 m3, gelegen nabij een sportcomplex. Na aankoop in 2014 bleek er scheurvorming in de woning, onbekend bij aankoop. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarden voor 2019 en 2020 vast op respectievelijk €311.000 en €333.000, waarbij het bezwaar voor 2019 ongegrond werd verklaard en voor 2020 gedeeltelijk gegrond met verlaging naar €324.000.
De rechtbank oordeelde dat de gebruikte vergelijkingsobjecten passend waren en dat de staat van onderhoud, inclusief scheurvorming en overlast van de tennisvereniging, voldoende was meegenomen in de waardering. Belanghebbende voerde aan dat onvoldoende rekening was gehouden met verborgen gebreken en overlast, maar leverde geen tegenrapport of aanvullend bewijs.
Het hof onderschrijft de rechtbank en voegt toe dat de inhoudsmaten door de taxateurs juist zijn gehanteerd. De subjectieve beleving van belanghebbende over aantasting van woongenot vormt geen grond voor verlaging van de objectieve WOZ-waarden. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraken van de rechtbank bevestigd.