In deze zaak vordert de bewindvoerder van een werknemer loonbetaling en toelating tot werk nadat werkgever de loonbetalingen had gestaakt en stelde dat de arbeidsovereenkomst met wederzijdse instemming was beëindigd. De werknemer was ziek gemeld wegens rugklachten en had geen loon ontvangen sinds juli 2021.
De kantonrechter wees de vorderingen af, stellende dat nader onderzoek in een bodemprocedure nodig was en dat het restitutierisico bij toewijzing hoog was. Het hof oordeelt echter dat de kantonrechter een te strenge maatstaf hanteerde en dat voldoende aannemelijk is dat de arbeidsovereenkomst nog voortduurt.
Het hof stelt dat werkgever het bewijs moet leveren van de beëindiging met wederzijdse instemming en dat werkgever werknemer niet voldoende heeft gewezen op de gevolgen van een vrijwillig ontslag, zeker gezien de arbeidsongeschiktheid van werknemer en het opzegverbod bij ziekte.
Daarom veroordeelt het hof werkgever tot betaling van het loon vanaf 1 juli 2021, met wettelijke verhoging en rente, en tot toelating van werknemer tot de overeengekomen werkzaamheden of passende arbeid zodra hij daartoe in staat is, onder verbeurte van een dwangsom. Tevens worden incassokosten en proceskosten toegewezen.
Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad en vernietigt het eerdere vonnis.