Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 8394529 CV EXPL 20-974)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de akte inbrengen producties van [werknemer] ;
- de memorie van antwoord in het principaal hoger beroep tevens memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep;
- de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep.
3.De beoordeling
“(…) De overeengekomen werkzaamheden zullen gewoonlijk in c.q. vanuit de vestiging van de werkgever te
“Op deze arbeidsovereenkomst is het Nederlandse recht bij uitsluiting van ieder ander rechtsstelsel van toepassing”en
“De Nederlandse rechter is bij uitsluiting van ieder ander bevoegd tol beslechting van geschillen voortvloeiend uit deze overeenkomst.”;
“Ontslag wegens sluiting ADEDE Nederland”, heeft Adede aan [werknemer] bericht:
“(...) Conclusie: 17/10/2019 tot heden, sprake van ziekte of gebrek. Niet in staat bedongen arbeid (archeoloog) te verrichten. (…)”;
“Uit het voorgaande volgt dat er vanuit gegaan dient te worden dat de arbeidsovereenkomst nog doorloopt en dat Adede gehouden is vanaf oktober 2018 maandelijks aan [werknemer] 70 % te voldoen van een brutosalaris van € 4.000,--”;
“Weliswaar is niet in geschil dat de arbeidsovereenkomst in elk geval tot 21 december 2018 bestond en dat er tot die tijd een loondoorbetalingsverplichting mag worden aangenomen, maar gezien hetgeen in het onder r.o. 2.7 vermelde beslag reeds door Adede is voldaan, biedt dat geen grondslag meer voor de in geding zijnde derdenbeslagen. Nu op basis van het arrest geen onbeperkt doorlopende loonvordering van [werknemer] na 21 december 2018 kan worden aangenomen, moet worden geoordeeld dat er geen grondslag (meer) is voor de drie gelegde derdenbeslagen.”.
“dat het afgelopen was”. Verder is geen sprake van een opzegging met terugwerkende kracht. (rov. 3.11);
principaalhoger beroep). [werknemer] heeft geconcludeerd tot (gedeeltelijke) vernietiging van het eindvonnis en zijn (gewijzigde) vordering luidt als volgt:
incidenteelhoger beroep). Adede heeft geconcludeerd tot (gedeeltelijke) vernietiging van het eindvonnis met afwijzing van de vorderingen in conventie en het alsnog toewijzen van zijn vorderingen in reconventie met betaling van de proceskosten in beide instanties.
“Ontslag wegens sluiting ADEDE Nederland”. Daarna staat er in de brief:
“Dit impliceert dat onze huidige arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang definitief zal worden verbroken.”. De wil van Adede blijkt hier onomwonden uit. Deze wil tot opzegging wordt vervolgens bevestigd doordat Adede daarna een nieuw contract aanbiedt om vanuit [vestigingsplaats] te werken en de afsluiting van de brief waarin Adede schrijft dat zij hoopt dat [werknemer] ingaat op het aanbod. Er is geen vereiste dat Adede bewoordingen had moeten gebruiken als ‘opzegging’ en ‘opzeggen’. Het hof is het dus eens met de overwegingen van de kantonrechter over de brief en maakt die tot de zijne. De uitleg die [werknemer] geeft aan de brief is gekunsteld en leidt niet tot de conclusie dat geen sprake is van de geopenbaarde wil tot opzegging van de arbeidsovereenkomst. Het hof laat bij deze overweging in het midden hoe de woorden van [werknemer] tijdens de zitting bij de kantonrechter moeten worden uitgelegd, omdat dit het oordeel van het hof over de brief niet anders maakt. Voor zover de houding van Adede na 21 december 2018 betekenis zou kunnen hebben bij de uitleg van haar brief, deelt het hof ook op dit punt de overwegingen van de kantonrechter dat de gedragingen van Adede nadien voort lijken te vloeien uit het feit dat er inmiddels gerechtelijke procedures waren gestart en dat daaruit in elk geval duidelijk was dat Adede geen afstand deed van de opzegging.