Uitspraak
1.[appellant 1] ,
[appellant 2],
[appellant 3],
[appellant 4],
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Op 19 maart 2020 bracht de geïntimeerde onder invloed van drugs [persoon A] om het leven door langdurig geweld op het hoofd. De vader, moeder en broer identificeerden het slachtoffer in het mortuarium, waarbij het ernstige letsel zichtbaar was.
De rechtbank veroordeelde de geïntimeerde tot 8 jaar gevangenisstraf en kende affectieschade toe aan de ouders, maar wees shockschadevorderingen van de ouders en broer en affectieschade van broer en zus af. De appellanten gingen in hoger beroep tegen het afwijzen van hun schadevorderingen.
Het hof oordeelde dat de vader recht heeft op shockschadevergoeding van €15.000 vanwege de directe confrontatie met het letsel en het vaststaande geestelijk letsel. Voor de moeder en broer werd verwezen naar nader bewijs over het psychisch letsel en het causaal verband. Affectieschade voor broer en zus werd afgewezen omdat zij onvoldoende concreet hadden aangetoond dat hun affectieve band afweek van de wettelijke norm. De vordering van de zus tot vergoeding wegens andere immateriële schade werd eveneens afgewezen wegens gebrek aan wettelijke grondslag.
De zaak werd verwezen naar de rol van 19 juli 2022 voor nadere bewijslevering over psychisch letsel van moeder en broer. De overige vorderingen werden afgewezen. Het hof vernietigde het vonnis voor zover shockschade aan de vader was afgewezen en wees deze alsnog toe met wettelijke rente.
Uitkomst: Shockschade aan vader wordt toegewezen, affectieschade aan broer en zus afgewezen, zaak verwezen voor nadere bewijslevering over psychisch letsel moeder en broer.