Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[beheer] Beheer B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
1.1. [woonwinkel] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[X] Onroerende Zaken B.V.gevestigd te [vestigingsplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/8059623 \ HA ZA 19-6703)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de rolbeslissing van 15 september 2020;
- de memorie van grieven met eisvermeerdering en producties;
- de memorie van antwoord met producties;
- de mondelinge behandeling van 2 februari 2022, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd;
- de bij brief van 17 januari 2022 door mrs. Goorts en Mimpen toegezonden producties, die [woonwinkel] bij mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht.
3.De beoordeling
3. veroordeling tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten aan [appellanten] van respectievelijk € 509,07 en € 566,48, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van het vonnis tot aan de dag van volledige betaling,
4. veroordeling in de kosten van het geding, met inbegrip van de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van het vonnis tot aan de dag van volledige betaling.
3.10. Hieruit volgt, naar het oordeel van het hof, dat het de bedoeling van partijen was dat na betaling van dit bedrag, de geschillen over alle vorderingen over en weer in beide procedures met deze afspraak definitief waren beslecht. Dit blijkt ook uit de tekst van de vaststellingsovereenkomst waarin is opgenomen dat partijen “ter beëindiging van hun geschil” in beide zaken een overeenkomst hebben gesloten en dat zij “niets meer van elkaar te vorderen hebben” en elkaar “finale kwijting verlenen” na uitvoering ervan.