Appellante is in eerste aanleg onder de schuldsaneringsregeling geplaatst, die tot 24 juli 2023 was verlengd. De rechtbank beëindigde deze regeling tussentijds wegens niet-nakoming van kernverplichtingen zoals informatie-, arbeids- en sollicitatieplicht, en het frustreren van de regeling.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat een deel van de tekortkomingen te wijten was aan een verstoorde relatie met haar voormalige beschermingsbewindvoerder en dat zij zich maximaal had ingespannen, ondanks arbeidsongeschiktheid sinds oktober 2021. Zij stelde ook voor een minnelijk akkoord aan schuldeisers te bieden.
De bewindvoerder stelde dat appellante meerdere waarschuwingen had gekregen en onvoldoende medewerking verleende, terwijl zij zelf beslissingen nam die niet in het belang van schuldeisers waren. De beschermingsbewindvoerder gaf aan dat er voldoende middelen waren om de boedelachterstand te voldoen, maar dat betaling was uitgesteld vanwege het hoger beroep.
Het hof oordeelde dat appellante ondanks herhaalde waarschuwingen haar verplichtingen niet naar behoren nakomt, onvoldoende medische onderbouwing heeft voor haar arbeidsongeschiktheid, en de boedelachterstand onverklaard en onbetaald blijft. Het voorstel voor een akkoord is nog niet geformuleerd en getuigt van een weinig saneringsgezinde houding.
Gelet op deze omstandigheden bevestigt het hof de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei, zoals door de rechtbank is beslist.