Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/329051 / HA ZA 17-851)
2.Het geding in hoger beroep
- de memories van grieven van 10 september 2019 met producties 63 tot en met 67;
- de memorie van antwoord van 3 december 2019;
- de akte van 25 februari 2020;
- de antwoordakte van 21 april 2020.
3.De beoordeling van het hoger beroep
vastgestelde feiten, die in hoger beroep niet zijn bestreden, luiden als volgt.
afdeling sales.[appellante] heeft dit onweersproken gelaten. Uit de vaststaande feiten blijkt dat [oprichters van de vennootschap] oprichter was van [de vennootschap] , in de periode van 1990-2010 als directeur heeft gefungeerd en ook directeur was in 2011-2012. Hij heeft [de vennootschap] in 2017 overgenomen van [appellante] . Het hof trekt hieruit de conclusie dat [oprichters van de vennootschap] steeds op de hoogte is geweest van het reilen en zeilen van [de vennootschap] , waaronder de kwaliteit van de administratie en de riskante transacties, en dat hij tijdens het fungeren van [geïntimeerde] als bestuurder op de hoogte was van de wijze waarop [geïntimeerde] als bestuurder functioneerde. [oprichters van de vennootschap] was lid van de raad van bestuur van [enig aandeelhouder van de Holding] . ME behoorde al vanaf 2007 tot de [appellante] -Group . Dit een en ander betekent dat [appellante] , die gedurende een aantal jaren de controle had over ME, had moeten verklaren waarom zij [geïntimeerde] nimmer heeft gewezen op verondersteld disfunctioneren en waarom zij pas na zijn vertrek onderzoek heeft laten uitvoeren en hem deswege aansprakelijk heeft gesteld. Deze verklaring ontbreekt evenwel. Dit klemt temeer nu [appellante] al in 2013 ermee bekend was dat de door haar gewraakte transactie met EDS Canada had plaatsgevonden.
EUR 5.705,--( 1pt)