Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en een productie, ingekomen ter griffie op 22 september 2020;
- het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 20 november 2020;
- een faxbericht/brief van [de werkgever] met producties 56 t/m 59, ingekomen ter griffie op 1 februari 2021;
- [de werkgever] , vertegenwoordigd door mw. mr. [de HR-jurist] (HR-jurist [de werkgever] ), bijgestaan door mr. Den Heeten;
- de ter zitting in hoger beroep overgelegde en voorgedragen pleitnota van mr. Oberman;
- het faxbericht/de brief van mr. Den Heeten, ingekomen ter griffie op 12 februari 2021.
3.De beoordeling
‘Waardering: Wij zijn meer dan uitpakkers’en
‘’Topwerkgeverschap Stickertje op de voordeur of merken wij hier ook iets van, zo ja wat dan?’[teamleider 1] heeft [de werknemer] en [zijn directe collega] daarop enige tijd later aangesproken en aan hen verteld dat zij het uiten van onvrede via een email met agendapunten een onjuiste manier van communiceren vond.
‘Schaalindeling voor MAD-ers gaat op korte termijn veranderen. Schaal 30 -> schaal 35 Akkoord van management!
‘Het is ons eindelijk gelukt om het functieprofiel voor de MAD-ers aan te passen met als resultaat een nieuwe weging en verhoging naar FWG 35. TERECHT en VERDIEND natuurlijk! Dit gaat met terugwerkende kracht gelden vanaf 1 juni 2017.’
‘In de afgelopen anderhalf jaar is er voor mij een duidelijk onderscheid in de periode voor en na 13 juli. Waar ik voor 13 juli met plezier naar het werk ging, ga ik na 13 juli met gemengde gevoelens naar het werk en ben ik nog steeds bezig om het plezier terug te vinden. Kijkende naar de aanleiding van 13 juli, dan is het meerendeel van mijn agendapunten nog altijd actueel: (…) – Waardering, niet meer op menselijk gebied, maar financieel, hierbij hoort ook het punt duidelijke taakomschrijving’.
Voor mij is het belangrijkste om de komende periode het plezier terug te krijgen in mijn werk, mijzelf voor 100% gemotiveerd in te zetten en ik hoop dat op korte termijn de loonsverhoging wordt afgerond.’
‘Er is sprake van een gestoorde arbeidsrelatie en verschil van mening over de arbeidsvoorwaarden en functioneren. (…) Dus ook geen sprake van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte. Ik adviseer u meneer een time out te geven en volgende week met hem in gesprekken te gaan en bestaande problematiek met hem te bespreken en te kijken of jullie tot een oplossing kunnen komen. De vertrouwenspersoon kan erbij aansluiten. Komen jullie gezmaenlijks niet uit, stel ik voor een mediator in te schakelen.’
‘Het conflict is verder geëscaleerd en een gesprek heeft niet tot een oplossing geleid. Ik stel voor om, in de lijn van het advies van [de bedrijfsarts 1][de vorige bedrijfsarts, hof]
nu een onafhankelijke mediator in te zetten om alsnog tot een door beide partijen gedragen oplossingsrichting te komen. Er is sprake van forse spanningsklachten, maar niet van arbeidsongeschiktheid door ziekte of gebrek. Ik stel voor om nog even de tijd te nemen voor een interventieperiode en niet aan te sturen op een werkhervatting, tot de mediation goed op gang is gekomen.’
Zoals tijdens het gesprek van hedenochtend aangegeven is, is het niet zinvol om aan het functioneringstraject te beginnen, zolang de volgende zaken nog spelen:
Concrete voorbeelden bij de competenties
Vakantie-uren die zijn afgeschreven i.p.v. ziekte-uren
Inhouden van salaris op maandag 3 december
Uitleg over wat de FWG-verhoging in de praktijk voor mij betekent’
‘Vanochtend zou de start zijn van het functioneringstraject. Omdat het gesprek wederom ging over het niet eens zijn met het traject, zijn wij helaas niet in de gelegenheid gesteld de competenties en leerdoelen met je door te nemen en er inhoudelijk mee van start te gaan. Dit gaan wij alsnog doen. Daarom wordt je a.s. maandag 17 december om 12:00 uur bij HRM verwacht.’
‘Het is inmiddels gelukt om jullie mutatie door te voeren. Dat betekent dat jullie vanaf 1 november [2018, hof] in FWG 35 ingeschaald zijn.’
‘Ik weet dat ik niet perfect ben en sta altijd open voor verandering/verbetering. Ik geef toe dat ik op 12 november, voor het eerst in 18 jaar, 25 minuten te laat op het werk was (zonder afmelding terwijl ik ingeroosterd was) omdat ik in de file stond. Heb sorry tegen [teamleider 2] [ [teamleider 2] , hof] gezegd, omdat zij van mening was dat ik de auto aan de kant van de weg had moeten zetten, om te bellen dat ik later was en ik dat niet direct snapte.
In deze casus is er een steeds verdergaande verstoring van de onderlinge verhoudingen opgetreden. Dit heeft geleid tot een plotselinge escalatie op 14 november 2018. Met betrekking tot de hoofdklacht kan de commissie zich enerzijds voorstellen dat dhr. [de werknemer] zich op bepaalde momenten, met name door het onaangekondigde gesprek op 14 november 2018, geïntimideerd heeft gevoeld. De timing van het onaangekondigde gesprek van 14 november 2018, één dag voor een reeds gepland gesprek, alsmede de boodschap die in dat gesprek werd gebracht, namelijk dat een functioneringstrajectgesprek zou worden opgestart, hebben niet bijgedragen aan het gevoel van veiligheid van dhr. [de werknemer] . De commissie heeft anderzijds geen redenen om aan te nemen dat er bewust sprake is geweest van intimiderend handelen jegens dhr. [de werknemer] . De commissie ziet de handelwijze van dhr. [de manager] en mw. [teamleider 1] vooral in het perspectief van de verstoorde arbeidsrelatie en door hen ervaren frustratie over de houding van dhr. [de werknemer] . In dit licht is het voor de commissie voorstelbaar dat dhr. [de manager] tijdens het gesprek van 14 november 2018 in duidelijke bewoordingen heeft getracht aan dhr. [de werknemer] duidelijk te maken wat de ernst was van het betreffende gesprek. De commissie ziet in de handelwijze van [teamleider 1] en [de manager] niettemin aanleiding om aandacht te vragen voor de zorgvuldigheid waarmee het traject met dhr. [de werknemer] is doorlopen. Dit ziet zowel op het gebrek aan verslaglegging in de periode maart 2018 tot november 2018, als op het onvoldoende gemotiveerd verwerpen van het advies van de bedrijfsarts om onder andere tot mediation over te gaan om op deze wijze te pogen het arbeidsconflict op te lossen. De commissie meent dat het niet opvolgen van de adviezen te lichtvoetig is gedaan. Er is derhalve geen zorgvuldige, weloverwogen beslissing betreffende de werknemer genomen. Het belang van dhr. [de werknemer] acht de commissie hiermee geschonden.
‘Vorige week heb ik met jullie allebei een persoonlijk gesprek gehad. [HR-adviseur 2] [ [HR-adviseur 2] , hof] heeft mij vervolgens beloofd een en ander uit te zoeken en mij hierover deze week uitsluitsel te geven. Tot op heden heb ik niets vernomen. Gisterenavond ben ik op bezoek geweest bij mijn collega [ [zijn directe collega] , hof]. Ik ben geschrokken van haar gezondheid. Vanwege deze redenen heb ik besloten om niet akkoord te gaan met [de manager] [ [de manager] , hof] voorstel. Ik zal deze casus in het kader van de zorgplicht en het topwerkgeversschap voorleggen aan de nieuw op te richten werkgroep “problemen OK” onder het voorzitterschap van de heer [de bestuursvoorzitter] .’
gevoelheeft (gehad) dat hij niet gelijk is behandeld. [de werkgever] wist dat en heeft dat gevoel kennelijk toch niet weg kunnen nemen. [de werkgever] heeft erkend dat de herwaarderingsprocedure in het geval van de functie van [de werknemer] (en zijn collega) vertraging heeft opgelopen, hetgeen het gevoel van ongelijke behandeling bij hem alleen maar heeft versterkt. Ook de werknemersklachtencommissie heeft in haar rapport, dat op de inhoud niet door partijen is betwist, in haar overwegingen over het FWG-traject het volgende geschreven (pagina 5 en 6 van het rapport):
‘Mw. [teamleider 1] , in 2016 als teamleider op de OK begonnen, heeft gemerkt dat de logistiek medewerkers veel extra werk deden, wat normaal door operatieassistenten werd gedaan. Zij heeft zich, daarbij gesteund door dhr. [de manager] , sterk gemaakt voor een passende functiewaardering voor de MAD-ers en de magazijnmedewerkers. Toen de functiewaardering van de magazijnmedewerkers niet vlotte door omstandigheden gelegen binnen de afdeling HRM, is aan de magazijn medewerkers, en dus ook dhr. [de werknemer] een gratificatie toegekend. De commissie waardeert de inspanningen van mw. [teamleider 1] en dhr. [de manager] omtrent de functiewaardering.
Hierbij mag naar het oordeel van het hof niet uit het oog worden verloren dat [de werknemer] de functie vervulde van magazijnmedewerker, dat hij zijn werk als zodanig naar tevredenheid verrichtte, en de discussie met zijn leidinggevenden vooral ging over dan wel werd beïnvloed door communicatievaardigheden en voldoende zelfreflectie. Op dat punt konden in redelijkheid niet dezelfde eisen aan [de werknemer] worden gesteld die uiteraard wel golden voor zijn leidinggevenden. Het hof merkt voorts op dat tijdens de behandeling in hoger beroep is gebleken dat mevrouw [de HR-jurist] , de HR-jurist, de brief van 31 oktober 2019, althans in ieder geval de gestelde voorwaarden heeft geformuleerd. Aldus waren de verwoorde eisen dus mede bedacht door HR, terwijl daaraan juist de opdracht was gegeven het advies van de werknemerscommissie uit te voeren.
‘Ik (en ook [zijn directe collega] ) heb ruim een jaar moeten smeken/vechten voor de salarisverhoging die als een rode draad door dit hele proces loopt en waarvan ik steeds heb proberen aan te geven dat het niet om geld, maar om waardering ging en het vervelende gevoel waarmee je rond loopt, terwijl je keihard werkt, dat je collega’s (…) het wel hebben gekregen en jij en [zijn directe collega] niet, terwijl je wel aanwezig was op het feestje en je nooit is verteld dat het niet voor jou bedoeld was.’