In deze civiele zaak stond de vaststelling van de zorg- en omgangsregeling voor een minderjarige centraal. Het hof heeft een eerdere beschikking verduidelijkt waarin was bepaald dat de zorgregeling voorlopig onder begeleiding van een specifieke instantie (de BOR-regeling) zou plaatsvinden. Er bestond onduidelijkheid tussen partijen over de invulling van deze regeling in afwachting van de start van de interventie van een andere instantie.
De moeder en de GI (Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg) hadden verschillende interpretaties van de zorgregeling, met name over de wijze en locatie van de omgangsbegeleiding. Het hof heeft vastgesteld dat de bestaande begeleide zorgregeling, zoals vastgesteld door de rechtbank en uitgevoerd onder begeleiding van de eerste instantie, gehandhaafd blijft totdat de nieuwe instantie haar werkzaamheden start.
Het belang van de minderjarige bij onbelast en bestendig contact met de moeder werd door het hof zwaarder gewogen dan de zorgen die de vader had over de veiligheid bij de moeder. Het hof heeft de behandeling van de zaak aangehouden in afwachting van het rapport van de nieuwe instantie en partijen de gelegenheid gegeven schriftelijk te reageren op de rapporten.
De uitspraak is gedaan door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 8 juli 2021 en betreft een zaak in hoger beroep waarbij Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, de moeder en de vader betrokken waren.