Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 8634925 20-3269)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met grieven;
- de akte overlegging producties van de bewindvoerder c.s. met producties 1 en 2;
- het tegen [woningstichting] verleende verstek, gezuiverd op 5 januari 2020;
- de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties 37 t/m 39;
- de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep.
3.De beoordeling
ernstige(cursivering hof) overlast. Voor toewijzing van de vordering van [woningstichting] in kort geding is in de eerste plaats noodzakelijk dat voldoende aannemelijk is dat [appellante] ernstige geluidsoverlast veroorzaakt. Ook indien dit het geval is dient op grond van alle feiten en omstandigheden van het geval te worden beoordeeld of het treffen van een voorlopige voorziening in de vorm van een gedwongen ontruiming van de woning aangewezen is. Gelet op de verstrekkende gevolgen van een ontruiming past daarbij terughoudendheid. In kort geding is een vordering tot ontruiming van een huurwoning slechts toewijsbaar als (i) voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter een vordering tot ontbinding en ontruiming op grond van hetzelfde feitencomplex eveneens zal toewijzen, en (ii) van de verhuurder niet kan worden gevergd dat zij de uitkomst van de bodemprocedure afwacht.
4.De uitspraak
- de bewindvoerder c.s. is veroordeeld om het gehuurde aan de [adres] te [plaats] binnen 28 dagen na betekening van dit vonnis met alle zich daarin bevindende personen en goederen te ontruimen en te verlaten en met afgifte der sleutels ter vrije en algehele beschikking van [woningstichting] te stellen,
- de bewindvoerder c.s. is veroordeeld uit het vermogen van [appellante] de kosten van de procedure te vergoeden;