ECLI:NL:GHSHE:2021:1942

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
22 juni 2021
Publicatiedatum
22 juni 2021
Zaaknummer
200.292.032_01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 351 RvArt. 235 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing beslagen en uitleg hypotheekakte bij verhangen kavels recreatiewoningen

In deze zaak stond centraal de opheffing van beslagen die waren gelegd op kavels bestemd voor de bouw van recreatiewoningen, waarop een hypotheek rustte als zekerheid voor een schuld van een in 2006 failliet verklaarde vennootschap. De hypotheekgever had deze kavels later 'verhangd' naar een holding.

De voorzieningenrechter had op 22 februari 2021 de beslagen opgeheven en Holding Maasplassen bevolen de executie van dwangsommen te staken. Holding Maasplassen legde daarop executoriaal beslag op woningen en bankrekeningen van de appellanten. De appellanten startten een kort geding om deze beslagen op te heffen en dwangsommen te laten staken.

Het hof overwoog dat de hypotheekgever niet verplicht is de schuld van de failliete vennootschap te voldoen en evenmin verplicht is bij het verhangen uitkeringen te doen aan schuldeisers. Er was geen sprake van onrechtmatig handelen door de holding. De voorwaardelijke incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging werd niet behandeld omdat de voorzieningenrechter reeds de executie van dwangsommen had bevolen te staken.

De hoofdzaak werd aangehouden voor verdere behandeling. Het hof hield de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak. Het arrest werd gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2021.

Uitkomst: De voorwaardelijke incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging wordt niet behandeld en de hoofdzaak wordt aangehouden voor verdere behandeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.292.032/01
arrest van 22 juni 2021
gewezen in het voorwaardelijke incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging ex artikel 351 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), althans tot zekerheidstelling ex artikel 235 Rv Pro in de zaak van

1.[appellant 1],wonende [woonplaats],

2.
[appellant 2],wonende te [woonplaats],
appellanten in de hoofdzaak,
eisers in het voorwaardelijke incident,
hierna te noemen: [appellanten],
advocaat: mr. A.M. Smetsers te Nijmegen,
tegen
Holding Maasplassen B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerster in het voorwaardelijke incident,
hierna te noemen: Holding Maasplassen,
advocaat: mr. A.P. Macro te Amsterdam,
op het bij exploot van dagvaarding van 19 maart 2021 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van 22 februari 2021, door de voorzieningenrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, (hierna: de voorzieningenrechter) gewezen tussen appellanten als gedaagden en geïntimeerde als eiseres.

1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/287677 / KG ZA 21-31)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie in het voorwaardelijke incident met producties van [appellanten];
  • de antwoordmemorie in het voorwaardelijke incident met producties van Holding Maasplassen;
  • de memorie van grieven.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het voorwaardelijke incident bepaald.

3. De beoordeling

In het incident
3.1.
De voorzieningenrechter heeft bij vonnis in kort geding van 22 februari 2021 [appellanten] geboden alle door hen gelegde beslagen ten laste van Holding Maasplassen onder de onder 3.2 van dat vonnis genoemde banken en op de onder 3.2 van dat vonnis genoemde onroerende zaken op te heffen, binnen 48 uur na betekening van dat vonnis op straffe van een dwangsom van € 100.000,-- per dag of een gedeelte daarvan dat [appellanten] hiermee geheel of gedeeltelijk in gebreke zijn en [appellanten] veroordeeld in de proceskosten en
de nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente. De voorzieningenrechter heeft dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en heeft het meer of anders gevorderde afgewezen.
3.2.
Holding Maasplassen heeft voormeld vonnis op 23 februari 2021 aan [appellanten] laten betekenen. De deurwaarder heeft, in opdracht van Holding Maasplassen, [appellanten] vervolgens bij exploot van 5 maart 2021 aangezegd dat zij zich niet aan het in het vonnis van 22 februari 2021 omschreven gebod hebben gehouden, omdat een deel van de beslagen niet zijn doorgehaald. De deurwaarder heeft [appellanten] daarom in datzelfde exploot bevolen over te gaan tot betaling aan Holding Maasplassen van de volgens Holding Maasplassen tot dat moment verbeurde dwangsommen van in totaal € 800.000,--.
3.3.
Holding Maasplassen heeft vervolgens op 10 maart 2021 executoriaal beslag doen leggen op een aan [appellant 1] in eigendom toebehorende woning te [plaats] en op het saldo van zijn bankrekening bij de Rabobank. [appellant 1] is bij exploot van 11 maart 2021 hiervan in kennis gesteld. Holding Maasplassen heeft op 10 maart 2021 ook executoriaal beslag doen leggen op een aan [appellant 2] in eigendom toebehorende woning te [plaats] en op het saldo van zijn bankrekening bij de Rabobank. [appellant 2] is bij exploot van 11 maart 2021 hiervan in kennis gesteld.
3.4.
Bij dagvaarding van 19 maart 2021 hebben [appellanten] een kort geding tegen Holding Maasplassen aanhangig gemaakt. Daarin hebben [appellanten] (samengevat) gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Holding Maasplassen te gebieden alle door haar gelegde beslagen ten laste van [appellanten] op te heffen binnen 48 uur na betekening van het te wijzen vonnis, op verbeurte van een dwangsom;
Holding Maasplassen te veroordelen de executie van dwangsommen op grond van het op 22 februari 2021 gewezen vonnis ongedaan te maken en te staken en gestaakt te houden, op verbeurte van een dwangsom;
de bij vonnis van 22 februari 2021 opgelegde dwangsom op te heffen en/of te verminderen tot nihil;
Holding Maasplassen te veroordelen in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van het vonnis, en Holding Maasplassen te veroordelen in de nakosten.
3.5.
De voorzieningenrechter heeft bij vonnis in kort geding van 4 mei 2021, voor zover hier van belang, als volgt beslist op de hiervoor genoemde vorderingen van [appellanten]:
“(…)
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
heft alle door Holding Maasplassen ten laste van [appellanten] uit hoofde van het vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 22 februari 2021 in de zaak met nummer C/03/287677 / KG ZA 21-31 gelegde beslagen (…) op,
5.2.
beveelt Holding Maasplassen om onmiddellijk na betekening van dit vonnis de executie van dwangsommen op grond van voormeld vonnis van 22 februari 2021 te staken en gestaakt te houden,
5.3.
veroordeelt Holding Maasplassen om aan [appellanten] een dwangsom te betalen van
€ 50.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.2 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 1.000.000,- is bereikt,
(…)
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.”
3.6.
[appellanten] hebben hoger beroep ingesteld bij dit hof tegen het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van 22 februari 2021. Daarin hebben [appellanten] bij voorwaardelijke incidentele vordering gevorderd dat het hof de tenuitvoerlegging en executie van het vonnis van 22 februari 2021 door Holding Maasplassen schorst gedurende het hoger beroep ex artikel 351 Rv Pro, althans (subsidiair) Holding Maasplassen beveelt zekerheid te stellen voor het in haar ogen verbeurde bedrag aan dwangsommen van € 800.000,-- gedurende het hoger beroep ex artikel 235 Rv Pro.
3.7.
Bij memorie van antwoord in het incident heeft Holding Maasplassen geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen in het incident, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellanten] in de proceskosten van het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente, en in de nakosten.
3.8.
Het hof overweegt als volgt.
3.8.1.
[appellanten] hebben hun incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv Pro, althans tot zekerheidstelling ex artikel 235 Rv Pro ingesteld onder de voorwaarde dat hun vordering in kort geding om Holding Maasplassen te veroordelen tot staking van de executie van de dwangsommen op grond van het vonnis in kort geding van 22 februari 2021 (zie rechtsoverweging 3.3. onder 2.) zal worden afgewezen door de voorzieningenrechter.
3.8.2.
Zoals hiervoor is overwogen (zie rechtsoverweging 3.4), heeft de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding van 4 mei 2021 Holding Maasplassen bevolen om onmiddellijk na betekening van dit vonnis de executie van dwangsommen op grond van voormeld vonnis van 22 februari 2021 te staken en gestaakt te houden, op verbeurte van een dwangsom. De voorzieningenrechter heeft de betreffende vordering in kort geding van [appellanten] dus toegewezen.
3.8.3.
Nu daarmee aan de voorwaarde die [appellanten] aan hun incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging, althans tot zekerheidstelling hebben verbonden, niet is voldaan, wordt aan een beoordeling van de voorwaardelijke incidentele vordering niet toegekomen. Het hof zal verstaan dat op de voorwaardelijke incidentele vordering niet hoeft te worden beslist.
3.9.
De beslissing over de proceskosten in het incident zal het hof aanhouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak.
In de hoofdzaak
3.10.
De hoofdzaak is verwezen naar de rol van 29 juni 2021 voor memorie van antwoord. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.De beslissing

Het hof:
in het incident:
verstaat dat niet hoeft te worden beslist op de voorwaardelijke incidentele vordering tot
schorsing van de tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv Pro, althans tot zekerheidstelling ex artikel 235 Rv Pro;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verstaat dat de zaak is verwezen naar de rol van 29 juni 2021 voor memorie van antwoord;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, M.G.W.M. Stienissen en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 juni 2021.
griffier rolraadsheer