Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/252848 / HA ZA 18-378)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de akte van depot waarbij [appellante] een USB-stick heeft gedeponeerd;
- de akte van [appellante] met een productie;
- de memorie van antwoord met een productie;
- het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de bij brief van 2 april 2021 door [appellante] toegezonden producties, die [appellante] bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.
3.De beoordeling
- Door [appellante] is onvoldoende onderbouwd en door de gemeente is gemotiveerd weersproken dat op de gemeente een wettelijke taak rust om hemelwater van de percelen van [appellante] af te voeren via de bermsloot en duiker 2 (rov. 4.3.).
- Uit de wettelijke plicht voor eigenaren van lager gelegen erven om het water te ontvangen dat van hoger gelegen erven van nature afloopt (artikel 5:38 BW Pro) kan geen verplichting worden afgeleid om ook te zorgen voor afvoer van dat water (rov. 4.4.).
- Duiker 2 functioneerde al vele jaren niet meer en het water in de bermsloot werd in de praktijk (in ieder geval gedurende vele jaren), steeds via duiker 1 naar de [naam verharde weg] afgevoerd (rov. 4.5. en 4.6.).
- Omdat er voor de wateroverlast van juni 2016 nooit problemen zijn ondervonden voor wat betreft de berging van hemelwater, mocht de gemeente ervan uitgaan dat de afvoer van de bermsloot via duiker 1 toereikend was en dat een niet-functionerende duiker 2 geen aanmerkelijk gevaar voor [appellante] zou opleveren. De gemeente hoefde geen rekening te houden met de uitzonderlijke regenval in juni 2016 (rov. 4.7.).
- Er bestaat dus geen grond voor aansprakelijkheid van de gemeente op grond van artikel 6:174 BW Pro (rov. 4.8.).
- Omdat de gemeente geen rekening hoefde te houden met wateroverlast voor [appellante] indien duiker 2 verstopt zou raken, bestaat er geen grond om aan te nemen dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door geen onderhoud te plegen aan de duiker (rov. 4.9.).
Bargerbeek), HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2813 (
West-Friesland) en HR 9 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5302 (
Rijnstromen)). Tussen partijen is – terecht – niet in geschil dat deze maatstaf in dit geval ook voor de gemeente geldt. Hieruit volgt dat de in het algemeen te hanteren maatstaf is of de gemeente, gezien de concrete omstandigheden van het geval, de verschillende bij het beleid betrokken belangen en de beperkte middelen, beneden de zorg van een goed beheerder is gebleven. Hoe ver de onderhoudsplicht van de gemeente gaat ter vermijding van het onder water lopen van gronden door verstopping van een duiker, hangt van verschillende factoren af. Bij het uitoefenen van haar onderhoudsplicht heeft de gemeente een zekere beleidsvrijheid maar die gaat niet zo ver dat het optreden van de gemeente slechts marginaal zou kunnen worden getoetst. Voorts mag van de gemeente worden verlangd dat, wanneer een klacht binnenkomt over een waterpeil, zij daarop adequaat reageert door naar aanleiding van die klacht een onderzoek in te stellen en zo nodig, afhankelijk van de uitkomst daarvan, de noodzakelijke en mogelijke maatregelen te treffen. De gemeente hoeft echter niet steeds uit eigen beweging te onderzoeken of gronden last hebben van te hoge of te lage waterstanden en op basis daarvan maatregelen te nemen vooruitlopend op een aangekondigde weersomstandigheid.
.[deskundige 4] concludeert echter ook dat de bermsloot langs de [weg perceel 1] desondanks feitelijk al geruime tijd afwaterde in noordelijke richting, via duiker 1 en duiker 3:
Aangezien deze duiker[duiker 2, toev. hof]
lang verstopt heeft gezeten, waterde de sloot onder normale omstandigheden, altijd af in noordelijke richting (richting [naam verharde weg] ). Bij normale afvoer was dit voldoende. Echter bij een iets grotere afvoer (zoals in juni 2016) voldoet dit niet meer. Duiker 2 is dan echt noodzakelijk om geen wateroverlast te veroorzaken.” (p. 13)
De waterstand van de sloot langs de [naam verharde weg] werd door een gedeeltelijk verstopte duiker ook dusdanig hoog dat de drainage niet meer functioneerde. In plaats van dat het water richting de waterschapsloot stroomde (door duiker 1), stroomde het water de sloot langs de [weg perceel 1] in, wat tot extra wateroverlast zorgde.” (p. 12)
Doordat de duiker in de sloot langs de [naam verharde weg] verstopt zat kon deze sloot slecht afwateren en werkte de drainage van het noordelijke perceel niet meer. Hierdoor konden de drains niet meer afwateren met inundatie tot gevolg. Water stroomde vanuit de [naam verharde weg] langs de [weg perceel 1] naar het zuidoosten. Aangezien de duiker onder de [weg perceel 1] verstopt was leidde dit tot inundatie van de aanliggende percelen.” (p. 17).
De percelen van wederpartij ontwateren naar de sloot langs de [naam verharde weg] die ter hoogte van de [weg perceel 1] overgaat in een sloot van Waterschap Limburg. De vele neerslag zal ongetwijfeld stroomafwaarts tot een knelpunt hebben geleid waardoor het water bovenstrooms, waaronder bij de wederpartij, niet weg kon.
Een stagnerende afwatering stroomafwaarts, in samenhang met mogelijk, een deels verstopte duiker onder [naam verharde weg] , kan ertoe hebben geleid dat water in de bermsloot van de [weg perceel 1] is gestroomd. De oorzaak van de wateroverlast en inundatie is daarmee niet zozeer gelegen in de bermsloot zelf maar in een stagnerende afvoer van de sloot van het waterschap langs de [naam verharde weg] .”
Wilnis)).