Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[ de vennootschap 1] ,gevestigd te [vestigingsplaats] , met kantoor te [kantoorplaats] ,
[de vennootschap 2],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/241099 / HA ZA 17-523)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep, met de producties 1 en 2
- de memorie van grieven, met de producties 3 tot en met 5
- de memorie van antwoord tevens van eis in incidenteel hoger beroep, met een productie
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, met de producties 6 tot en met 13
- de pleitnota van [appellanten] , met de producties 14 tot en met 17
- de pleitnota van [geïntimeerde]
3.De feiten
4.De procedure in eerste aanleg
5.De beoordeling in hoger beroep
geenrechten en bevoegdheden toe die van zodanige aard zijn dat dit vorderingsrecht slechts kan worden uitgeoefend door een schuldeiser die de hoedanigheid heeft van bank (zie het genoemde arrest, rov. 2.6.3). De opvatting van [appellanten] dat uit 2.6.3 van het aangehaalde arrest volgt dat een uitzondering geldt voor rechten en bevoegdheden die van zodanige aard zijn dat zij enkel door een bank kunnen worden uitgeoefend, berust kennelijk op een verkeerde lezing van dit arrest.
€ 4.917,00(tarief V, 1,5 punt)